donderdag 14 april 2016

Citaat 14 april 2016

De liefde hoopt, omdat zij zich een voorstelling maakt en zij stelt zich iets voor omdat zij hoopt. Wat hoopt zij? In vervulling te gaan? Niet echt, want het is juist de hoop en de fantasie eigen om zich aan iets onvervulbaars te binden. Niet omdat zij dat object niet graag zouden willen bezitten, maar omdat hun verlangen door dat voorstellen en die hoop al voortdurend in vervulling is gegaan. Dat wij, in de woorden van de apostel, 'in de hoop zijn gered' (Romeinen 8,24) is daarom tegelijk wel en niet waar. Als het object van de hoop onvervulbaar is, dan hebben wij alleen op redding gehoopt omdat wij niet meer te redden zijn - want we zijn al gered. Net zoals de hoop uitstijgt boven haar vervulling, zo gaat zij ook de redding voorbij - met liefde.

- Giorgio Agamben (1942)
Uit: Avontuur (2015), vert. Willy Hemelrijk

zondag 3 april 2016

Notitie #220

Voor het punt dat Christiaan Weijts in de column ‘De islam, de paashaas en tietjes’ (NRC, 17 maart 2016) wil maken, kan hij niet te duidelijk partij kiezen voor een 'links' of 'rechts' standpunt. Dat zou hem onderdeel maken van het 'probleem' dat hij bespreekt. Hij neemt daarom geen expliciet standpunt in, behalve dan het pleidooi voor 'spontaniteit' en 'vrolijke creativiteit'.

Ik snap die noodzaak, en ook dat het niet aan de columnist is om genuanceerd te zijn. Toch is dat problematisch. Het gevolg is namelijk dat Weijts zaken op één hoop gooit die niet op dezelfde hoop horen. Dus bijvoorbeeld het (bewust) verkeerd lezen van de Hema-folder door rechts-populisten en het tellen van het aantal recensies over vrouwelijke auteurs door de Lezeres des Vaderlands.

In bijvoorbeeld de discussies rond seksisme en racisme richt hij zich tegen de standpunten die in deze discussies worden ingenomen - niet om de standpunten zelf, maar, als ik het goed begrijp, om hun onverdraagzaamheid, hun 'truttigheid'. Zijn pleidooi voor 'vrolijke creativiteit' mondt uit in een verdediging van politieke incorrectheid.

Dat kan, als de analyse voldoende scherp is en het punt van de column de moeite waard. Geen van beide is het geval.

Hij signaleert in de column een symptoom ('vertrutting', uit angst voor een digitale lynchpartij) maar niet het fenomeen zelf (het schuiven van de machtsverhoudingen waardoor stereotypen ter discussie worden gesteld; dat proces valt samen met een verruwing van de omgangsvormen). Zijn betoog voor 'spontaniteit' en 'vrolijke creativiteit' lijkt me vooral een literair betoog. In de maatschappelijke discussies is er geen gebrek aan spontaniteit en vrije expressie, integendeel.

De kracht van taal is dat zij werkelijkheid maakt of vernietigt. Een betoog voor een vrije en speelse omgang met taal is sympathiek, maar in de context van de besproken onderwerpen niet juist.

vrijdag 18 maart 2016

Notities #218-219



218) Julika Rudelius maakt ‘antropologische kunst’. Daarmee wordt bedoeld dat ze bepaalde culturen laat zien zonder daar expliciet een mening bij te geven. Dat levert mooi werk op. Zo biedt het videowerk ‘Economisch primaat’ (2005, niet lang voor de Kredietcrisis dus) een mooi tijdsbeeld. Toch vind ik hier dat 'antropologische' problematisch.

Het toont een vijftal miljonairs dat via een handsfree telefoon wordt geïnterviewd. De vragen (van Rudelius) zijn onhoorbaar, maar uit de antwoorden blijkt dat het vragen zijn naar geld en rijkdom, en naar de zwakkeren in de samenleving. Ze zeggen allemaal, op meer of minder subtiele manier, dat wie niet werkt eigenlijk geen geld verdient, en dat het ook voor de zwakkeren goed is om te werken omdat ze daardoor worden uitgedaagd.

Dat is een verkapt compliment aan zichzelf (de rijken verdienen het zo rijk te zijn omdat ze goed zijn in wat ze doen) en getuigt van een vervormd wereldbeeld, waarin succes en rijkdom is weggelegd voor iedereen die er zijn best voor doet.

Het probleem van een dergelijke, ‘antropologische’, kunst is dat de positie van de kunstenaar alleen zichtbaar is voor wie die wil zien. De standpunten van de geïnterviewde zakenmannen worden veel helderder voor het voetlicht gebracht en wie al volgens deze denktrant denkt wordt niet tegengesproken. Het is op deze manier een preek voor eigen parochie. 

219) De documentaire The devil and Daniel Johnston begint met het beeld van Johnston die zichzelf filmt en zich aan de kijker voorstelt als 'de geest van Daniel Johnston': "It is an honour and a privilege to tell you about my condition.. and the other world." Daarna komt een tekstscherm in beeld met een ander citaat van Johnston: "I believe in God, and I certainly believe in the Devil. There's certainly a devil, and he knows my name."

Merkwaardig genoeg komt de duivel in de rest van de documentaire maar sporadisch ter sprake. Het is vooral het gedetailleerde verslag van Johnstons geestesziekte. Johnston is zelf degene die wijst op zijn gevecht tegen Satan, en dat hij gelooft dat hij zijn ziel aan de duivel heeft verkocht in ruil voor roem.

In de documentaire wordt een mythe geconstrueerd. Zijn 'gekte' wordt in verband gebracht met zijn 'genialiteit' (hij wordt, nogal hyperbolisch, een belangrijker en genialer muzikant gevonden dan Brian Wilson en Bob Dylan). Zijn opmerkingen over de duivel worden, lijkt het, minder serieus genomen. Ze worden voortdurend in de context van zijn geestesziekte geplaatst. Daarmee is Satan de lege plek in deze documentaire: schijnbaar afwezig en ongrijpbaar.

donderdag 18 februari 2016

Notitie #217

Na een prachtige uiteenzetting over het verlangen (‘het object van verlangen is een beeld’) gaat Giorgio Agamben in zijn Profanaties in op wat hij ‘het speciale zijn’ noemt. In dit essay werkt hij de notie ‘beeld’ verder uit: geen substantie, maar een accident dat niet in zichzelf bestaat, maar in iets anders. Een beeld bestaat niet op zichzelf, maar wordt eerder op ieder moment voortgebracht, overeenkomstig de aanwezigheid van degenen die haar aanschouwen (vgl. een spiegel). En een beeld is niet te bepalen volgens de categorie van kwantiteit, heeft niet echt vorm, maar is, aldus Agamben, eerder de species van de vorm. Hij laat vrij virtuoos zien dat de term ‘species’ etymologisch interessant is, het betekent o.a. ‘schijn’, ‘uiterlijk’, ’vertoning’ en stamt af van de wortel die ‘kijken’, ‘zien’ betekent.

Het ‘speciale zijn’ is volgens Agamben absoluut niet-substantieel:

“De species van ieder voorwerp is zijn zichtbaarheid, dat wil zeggen zijn pure inzichtelijkheid. Speciaal is het zijn dat overeenkomt met zijn zich zichtbaar maken, met de ware openbaring.” 

maandag 8 februari 2016

Notitie #216

Of neem de reeks afbeeldingen ‘Martyr porn’ van Laurette Massant (over 'ketenen' gesproken). Het is een reeks aan de SM ontleende beelden van naakte, vastgebonden, geknevelde en gemartelde vrouwen. Het is gemakkelijk aanstoot te nemen aan deze (veelal afschuwelijke) beelden, omdat ze sterk lijken op pornografische beelden, en daardoor lijkt het alsof ze hetzelfde doel dienen: het wekken van lust door het zien van de pijn en vernedering van de vrouw.

Massants positie is echter niet dezelfde. Dat blijkt expliciet uit de religieuze symbolen die ze in veel van deze afbeeldingen verwerkt, en o.a. het gebruik van de kleuren blauw en goud (de kleuren van respectievelijk de Maagd Maria en de Heilige Geest) en het woord ‘martelaar’ in de titel. In de katholieke traditie hebben martelaren een centrale rol: zo goed als alle katholieke heiligen zijn een gruwelijke, gewelddadige dood gestorven. Dat is een belangrijke factor in hun heiligheid.

D.i., het ondergaan van geweld is dat. Het toebrengen van geweld is daar, in ieder geval in dit verband, onlosmakelijk mee verbonden. Denk ook aan Girards zondebok-theorie. Het medelijden met het slachtoffer, en de versterking van de liefde die dat teweeg brengt, verlangt het geweldopdat met die enorme intensiteit van het slachtoffer kan worden gehouden. Opdat de heiligheid wordt bereikt. 

zaterdag 30 januari 2016

Notitie #215

Het denken is nooit onschuldig. Dat komt doordat het meedogenloos is, op agressie berust en ons helpt onze ketenen te verbreken. Wanneer men de slechte en zelfs demonische kanten van het denken zou wegnemen, dan zou men ook van het begrip verlossing moeten afzien.

Emil Cioran (1911-1995)
Uit: Geboren zijn is ongemak (1984), vert: Edu Borger

Misschien geeft dit citaat een aanzet tot de verwoording van mijn positie in een gesprek met L. (en J.) over het geweld in mijn poëzie, een gesprek dat een beetje onbestemd is geëindigd. Het probleem dat zij signaleren is onmiskenbaar. Ik waardeer enorm dat ze het geweld in mijn gedichten erkennen als precies dat: iets gewelddadigs. Het is vervolgens niet raar dat ze worstelen met de vraag wat ermee te doen; met die vraag worstel ik zelf ook.

Bovenstaande gedachte van Cioran wordt verder niet toegelicht (het is een boek vol losse notities), dus het wordt niet helemaal duidelijk waar de ‘agressie’ zich tegen richt, waar de ‘ketenen’ ons aan binden en welk soort ‘verlossing’ het betreft. Duidelijk is in ieder geval, dat de agressie volgens Cioran inherent is aan het denken, dat dus het denken (in ieder geval deels) een destructieve kracht is - dat het ten koste gaat van iets (dat niet het denken is). Dat het denken, en daarmee de agressie (het slechte, demonische) een factor is waarmee we ons kunnen bevrijden (van iets). 

Het lijkt me niet toevallig dat hier een religieus geladen term als ‘verlossing’ wordt gebruikt om het uiteindelijke doel van dit (demonische) denken onder woorden te brengen. Het denken, de agressie daarvan, dient volgens Cioran om de ‘ketenen’ te verbreken, de ketenen die ons weerhouden van een kennelijke toestand van gelukzaligheid, van extase misschien, van heiligheid misschien. Als Cioran gelijk heeft, en het denken om deze reden nooit 'onschuldig' is, betekent dit dat de 'verlossing' dat evenmin is. 

zondag 3 januari 2016

Notitie #214

Eén van de interessante noties in Giorgio Agambens essay ‘Naaktheid’ (in: Naaktheden) is dat naaktheid oneindig is. Daarmee wordt bedoeld dat de naaktheid van een (begeerd) lichaam niet de vervulling is van de begeerte (of: het verlangen), maar integendeel het verlangen versterkt. Volgens mij is seks een nogal onbeholpen (hoewel de enige) manier om te proberen tot die vervulling te komen, en het orgasme eerder de lichamelijke begrenzing dan de vervulling van dat verlangen (vergelijk ook dit citaat van Tournier).

Agamben geeft in dit verband voorbeelden waarbij het naakte lichaam toch niet naakt is (werken van Vanessa Beecroft en Helmut Newton, de danseres die door haar bewegingen, en het model dat door haar gratie niet naakt is). De sadist, betoogt Agamben met Sartre, richt zich op het opheffen van deze ‘gekleedheid’ door gratie, door het object van begeerte te vernederen en ‘het vlees’ zichtbaar te maken. De paradox is dat de schoonheid (bij Agamben komt de term ‘schoonheid’, als het sublieme, steeds meer in de plaats van ‘naaktheid’) ook de sadist, die er met bruut geweld vat op probeert te krijgen, ontglipt: ‘Het schone is dat object waarvoor de sluier essentieel is’. De sluier en het ontsluierde worden één.

De theologische behandeling van het begrip ‘naaktheid’ vindt plaats aan de hand van het scheppingsverhaal uit Genesis, meer precies de passage na het eten van de appel door Adam en Eva: ‘Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren’ (Genesis 3:7). Zij waren dus vóór de ‘zonde’ (een zonde van de wil, volgens Agamben) al naakt, zonder het te merken. Tot aan het eten van de appel van kennis was de naaktheid van Adam en Eva volgens de theologie door de eeuwen heen bedekt door het ‘kleed van genade’. Agamben toont fraai de problemen en paradoxen van deze interpretatie aan. Het definitief wegnemen van het ‘kleed van genade’, bijvoorbeeld, zou het gegeven dat kinderen zich niet bewust zijn van hun naaktheid uit moeten sluiten. En het betekent dat het kwaad niet door de zonde in de wereld is gebracht, maar er enkel door is onthuld.

Aan de hand van een reliekschrijn uit de elfde eeuw, waarop God Adam en Eva aankleedt, en Eva zich daar wanhopig tegen verzet, noemt Agamben haar ‘een buitengewoon symbool van de vrouwelijkheid, en maakt het van de vrouw de verbeten bewaker van de paradijselijke naaktheid’.

Of de ‘schoonheid’, het ‘sublieme’, goddelijk is te noemen, laat Agamben in het midden. Zijn conclusie is bij eerste lezing een beetje teleurstellend, maar bij nader inzien erg mooi: ‘Ontbloot toont het omhulsel zich als zuivere schijn’. De schoonheid (het geheim) verwijst naar niets anders dan zichzelf. Daarmee is de naaktheid een afwezigheid die niets betekent, ‘[…] en, juist daarom, ons diep doordringt’.