Posts tonen met het label christiaan weijts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label christiaan weijts. Alle posts tonen

donderdag 9 oktober 2025

Notitie #481

De ouders van Felix Kajuit, in De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts, hebben iets aandoenlijks. Hun tekortkomingen worden met een zekere humor besproken. Daarom lijkt de actie van Kajuit, waar hij een breuk mee forceert, niet helemaal logisch. De actie is op zich relatief onschuldig (Kajuit vernielt een hobby-bouwwerkje waar zijn vader aan werkt), maar in de relatie tussen vader en zoon is het dat allerminst. Is dat gerechtvaardigd?

Humor is de manier waarop Kajuit streeds is omgegaan met de verwaarlozing door zijn ouders. Precies die humor staat hem in de beschrijving van die verwaarlozing in de weg: de humor relativeert de ernst van het beschrevene. Zijn ouders zijn arme sukkelaars, onbeholpen oenen. Weijts laat dat goed zien, en dat is ook waarom het (in ieder geval voor mij) lastig is om ze hun gedrag kwalijk te nemen (en om in te stemmen met Kajuits actie).

Zijn ouders kunnen niet anders: ze zijn wie ze zijn. Dat maakt Kajuits actie machteloos, het is een hulpeloze frustratie. Juist daarin ligt de kracht van de scène. Weijts’ stijl heeft de lichtheid die in het beschrevene ontbreekt. Verzwakt die stijl de ernst? Dat dacht ik in eerste instantie, maar inmiddels denk ik van niet. Weijts beschrijft de scène niet humoristisch, dus wellicht is de ironische stijl vooral mijn eigen perceptie. En je zou met net zo veel recht kunnen zeggen dat die lichtheid, die ironie (die in lijn is met de humor als mechanisme om met de werkelijkheid om te gaan), de ernst juist verdiept.

(En: is het wel zo, dat je de ouders hun gedrag niet kwalijk kan nemen? Is ouders verwijtbaar gedrag, zoals egoïsme en het gebrek aan oprechte aandacht voor hun kinderen, niet kwalijk te nemen (vanwege hun karakter, achtergrond, psychische problematiek e.d.)? Als dat zo is, is voor deze mensen het krijgen van kinderen in zichzelf verwijtbaar: want daar horen nu eenmaal verantwoordelijkheden bij.)

zondag 3 april 2016

Notitie #220

Voor het punt dat Christiaan Weijts in de column ‘De islam, de paashaas en tietjes’ (NRC, 17 maart 2016) wil maken, kan hij niet te duidelijk partij kiezen voor een 'links' of 'rechts' standpunt. Dat zou hem onderdeel maken van het 'probleem' dat hij bespreekt. Hij neemt daarom geen expliciet standpunt in, behalve dan het pleidooi voor 'spontaniteit' en 'vrolijke creativiteit'.

Ik snap die noodzaak, en ook dat het niet aan de columnist is om genuanceerd te zijn. Toch is dat problematisch. Het gevolg is namelijk dat Weijts zaken op één hoop gooit die niet op dezelfde hoop horen. Dus bijvoorbeeld het (bewust) verkeerd lezen van de Hema-folder door rechts-populisten en het tellen van het aantal recensies over vrouwelijke auteurs door de Lezeres des Vaderlands.

In bijvoorbeeld de discussies rond seksisme en racisme richt hij zich tegen de standpunten die in deze discussies worden ingenomen - niet om de standpunten zelf, maar, als ik het goed begrijp, om hun onverdraagzaamheid, hun 'truttigheid'. Zijn pleidooi voor 'vrolijke creativiteit' mondt uit in een verdediging van politieke incorrectheid.

Dat kan, als de analyse voldoende scherp is en het punt van de column de moeite waard. Geen van beide is het geval.

Hij signaleert in de column een symptoom ('vertrutting', uit angst voor een digitale lynchpartij) maar niet het fenomeen zelf (het schuiven van de machtsverhoudingen waardoor stereotypen ter discussie worden gesteld; dat proces valt samen met een verruwing van de omgangsvormen). Zijn betoog voor 'spontaniteit' en 'vrolijke creativiteit' lijkt me vooral een literair betoog. In de maatschappelijke discussies is er geen gebrek aan spontaniteit en vrije expressie, integendeel.

De kracht van taal is dat zij werkelijkheid maakt of vernietigt. Een betoog voor een vrije en speelse omgang met taal is sympathiek, maar in de context van de besproken onderwerpen niet juist.

donderdag 27 maart 2014

Notitie #105

In Achternamiddagen schrijft Christiaan Weijts: ‘Literatuur en misdaad horen wat mij betreft bij elkaar.’ Hij illustreert de opmerking met voorbeelden van ‘onverzoenlijke auteurs’ en misdadige personages, waaronder zijn eigen personage uit Art. 285b.  Dan maakt hij n.a.v. het volgens hem niet slecht geschreven pamflet van Anders Breivik een sprongetje naar diverse terroristen: ‘Terroristische stellingen zijn het tegenovergestelde van literaire dilemma’s’, concludeert hij. In het (literaire) dilemma verschilt een literair werk beslissend van een terroristisch pamflet.

Ik wil dat wel aannemen, maar de vraag blijft: wat hebben literatuur en misdaad dan met elkaar gemeen? Met zijn voorbeelden illustreert Weijts in ieder geval dat literatuur (en de maker ervan) mogelijkheden toont, waaronder misdadige. Kunst is, lijkt me, niets anders dan zichzelf. Kunst heeft van zichzelf geen moraal. Dat betekent dat er een punt is waar kunst misdaad kan worden - en waar dat punt ligt hangt af van de context waarin de tekst gelezen en geschreven wordt.

vrijdag 20 juli 2012

Notitie #24

Een column die Christiaan Weijts vlak na het overlijden van Gerrit Komrij in NRC Next publiceerde begint als volgt:

"'Ze zeggen dat je in columns op de bal moet spelen, en niet op man', zei Gerrit Komrij ergens backstage eens tegen me. 'Niets daarvan. Eérst die vent die die onzin verkóndigt aanpakken!' Gebalde vuist, brede glunderlach."

Waarom de persoon die de als onzinnig bestempelde bewering doet persoonlijk moet worden aangepakt is me nooit duidelijk geweest. Laat ik me beter uitdrukken: er lijkt me geen beginnen aan om iedereen die in mijn ogen onzin verkondigt persoonlijk aan te vallen. Bovendien interesseren de meninghebbende personen me niet (zeker niet als het meningen zijn waar ik het niet mee eens ben). Mij gaat het doorgaans om de meningen.

Dat is in de eerste plaats een verschil in temperament. Komrij was wie hij was, denk ik, omdat hij de moeite nam zijn tegenstander persoonlijk aan te vallen; hij verdiepte zich dus in die tegenstander. In een van de interviews die na zijn overlijden werden getoond, beweert Komrij ook dat hij uitgaat van het negatieve: hij vindt het gedicht of het essay al bij voorbaat niks. Dan kan hij later altijd nog zien of het misschien toch wat is. Hij heeft in zijn bloemlezingen en beschouwingen laten zien dat een dergelijk defensieve houding uiteindelijk de grootst mogelijke openheid oplevert (en een duidelijk gemarkeerde eigen positie).

Een dergelijke interesse in hetgeen je hebt afgewezen vergt een verbetenheid die ik - helaas, denk ik soms; gelukkig, denk ik vaker - mis.