Posts tonen met het label engagement. Alle posts tonen
Posts tonen met het label engagement. Alle posts tonen

dinsdag 26 augustus 2014

Notitie #127

De regelmatig waargenomen apolitieke houding wordt betreurd: ‘[De jonge dichters] zouden zich best wat bewuster mogen zijn van de tijd waarin ze leven.’

Deze opmerking van Frank Keizer las ik hier.

Ik denk niet dat ik tot de generatie hoor waar hij over spreekt, toch voel ik me enigszins aangesproken. Het voelt althans soms vreemd om in dit tijdsgewricht te proberen ‘het goddelijke’ een stem te geven.

Mijn weerstand richt zich tegen het verwijt van een ‘apolitieke’ houding. Keizer verbindt het zich bewust zijn van de wereld rechtstreeks met een politieke interesse of positie. Ik vraag me af of dat klopt. Is iemand die overtuigd en beargumenteerd op – laten we zeggen – de SP stemt zich bewuster van de tijd waarin we leven dan iemand die tijdens de avondwandeling naar – laten we zeggen – het ruisen van de bomen luistert?

Als je 'de tijd waarin we leven' politiek definieert wel, natuurlijk. Maar dat is juist mijn punt. De 'regelmatig waargenomen apolitieke houding' van de huidige generatie dichters is niet zo betreurenswaardig - als de poëzie tenminste op een andere manier relevant is. 

En volgens mij wringt hem daar de schoen. Veel hedendaagse poëzie is gericht op het spel met taal, zonder dat het zich er echt van bewust lijkt te zijn dat een spel met taal een spel met de werkelijkheid inhoudt. De hele werkelijkheid, het - om het zo maar te noemen - 'Zijn'. 

Dat zou betekenen dat de andere gesignaleerde problemen (het ontbreken van een kritisch discours, de beperkte rol van de poëtische traditie) veel verder reiken dan de betreurde apolitieke houding.

maandag 21 juli 2014

Notities #122-123

122) Volgens Bataille bestaat het heilige uit het goede én het kwade. De overtredingen van de verboden (‘grensoverschrijdingen’) zijn inherent aan onze menselijkheid, en noodzakelijk om de heiligheid van de verboden te onderstrepen. In de woorden van zijn vertaler:

Voortdurend pleit Bataille voor de erkenning van het Kwaad als wezenlijk onderdeel van de menselijke existentie. Erkennen we het Goede, dan dienen we ook het Kwaad te erkennen, want beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alleen omdat we het goede kennen, weten we wat kwaad is, en omgekeerd. Het ene kan onmogelijk bestaan zonder het andere. […] Bataille erkent het kwaad nadrukkelijk wel, en hij wil het ook tot gelding laten komen. Natuurlijk niet in een concrete vorm, maar door een beroep te doen op de geest, de fantasie.

(De erotiek, p. 205-206)

De moeilijkheid die ik - met Ger Groot - ondervond in de erkenning van het Kwaad, tijdens de bestudering van o.a. Bataille, Crowley en De Sade, is onnodig: in tegenstelling tot mijn (en zijn) veronderstelling is het in de erkenning van het Kwaad geen probleem (noch voor de praktijk, noch voor de filosofie) als de mogelijkheid van het kwaad beperkt blijft tot de verbeelding.

In een artikel dat J. schreef n.a.v. een gesprek met mij wordt dat ‘een radicaal geloof in de verbeelding’.genoemd. De verbeelding is te beschouwen als een parallelle werkelijkheid, die niet minder waarachtig is dan de concrete.

123) N.a.v. de situatie in Gaza en de ramp met de MH17 klaagt Abdelkader Benali dat de huidige generatie schrijvers te weinig engagement toont. De gebruikelijke reflex, die behoorlijk vervelend is, al snap ik de emotie wel. Benali verwijst met enige weemoed naar Ter Braak en Du Perron; zijn oproep lijkt me dus met name die tot een actieve deelname aan het maatschappelijk debat door schrijvers (i.p.v. een roep om geëngageerde literatuur). Ik denk dat slechts een handvol schrijvers het moreel gezag heeft om die rol overtuigend te spelen -  maar wellicht voelt een aantal mindere goden de behoefte die rol ook op te eisen.

Hoe dat bijvoorbeeld in de situatie rond de MH17 had geholpen is me niet duidelijk, en ik denk dat het eerder onkunde en onmacht is dan onwil. Een zinnige bijdrage aan het publieke debat vergt eigenschappen die mensen die zich hebben gespecialiseerd in het schrijven van boeken niet per definitie hebben.

Maar goed, er zou veel gewonnen zijn als de verbeelding een wat prominentere rol gaat spelen in alle lagen van communicatie. We hebben niet zozeer behoefte aan meer 'straatrumoer' in de letteren. We hebben behoefte aan meer letteren in het straatrumoer.

woensdag 9 april 2014

Notities #107-108

107) In een interview met Vooys zegt Ester Naomi Perquin over (politiek geladen) engagement:

“Mensen zeggen tegen [Ramsey Nasr]: wat zit jij nu eigenlijk te doen, waar zit je nou eigenlijk tegen te protesteren? Je woont in Nederland, je hebt een centrale verwarming, een rijtjeshuis, 2.2 kinderen en een golden retriever... Wat wil je nog meer? Toch is het ingewikkeld. In zijn poëzie is engagement niet een truc, hij kan er niet omheen als schrijver. Die urgentie zit er voor mij ook in, maar in Nederland blijft dat lastig. We willen het wel, maar we willen het theoretisch – niet in de praktijk.”

Over welke ‘urgentie’ gaat het hier? Die om politiek geëngageerde poëzie te schrijven? Ik zie niet goed wat daar lastig aan is, de gedachte dat Nederlandse dichters vanwege hun welvaart niet (meer) politiek geëngageerd zouden zijn lijkt me een cliché dat niet meer opgaat - als het al ooit is opgegaan. Het is niet ingewikkeld, het heeft eenvoudigweg met het vakmanschap van de dichter te maken.

108)  In zijn essay Denken is een lust formuleert Willem Jan Otten dikwijls wonderlijk raak. Omdat het duidelijk vóór het internettijdperk is geschreven (1984) doet het soms wat gedateerd aan, maar meer dan een essay over pornografie is het een essay over de (seksuele) psyche van zowel de man als de vrouw, en dus uiteindelijk over menselijkheid.

Ergens in het begin schrijft hij: ‘Het is een misvatting te denken dat mannen die pornografie kopen alleen vrouwen als objecten zien. Zij willen ook zichzelf als objecten zien.’ Kern is de ‘paniek over de verwisselbaarheid’: waar mannen die paniek beteugelen door zichzelf weg te denken (hij is elke man), beteugelen vrouwen die door ‘zichzelf voor te stellen als een ander, door een blik van (gepostuleerd mannelijke) begeerte op zichzelf te werpen’ (zij is de ultieme vrouw). Otten illustreert het punt met de stelling dat het in een van de wredere topen van de pornografie, de ‘gangbang’, zeker ook de mannen zijn die worden gebruikt: ‘als darren voor de koningin’. Een huiveringwekkend beeld.