Posts tonen met het label rüdiger safranski. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rüdiger safranski. Alle posts tonen

zaterdag 10 december 2016

Notitie #247

'"Waarom is [Nietzsche] bang voor de democratie? [...] Ik citeer [...]: "Om over een brede, diepe en vruchtbare bodem voor kunstzinnige vorming te kunnen beschikken, moet de overgrote meerderheid in dienst van een minderheid, boven  hun dosis individuele behoeftigheid uit, slaafs aan de nooddruft van het leven onderworpen zijn.' Als wetenschap en kennis zich onder zulke mensen verbreiden, zal dat, vreest Nietzsche, tot een ontstellende, cultuurverwoestende opstand leiden, want de 'barbaarse slavenstand zal niet alleen voor zichzelf, maar voor alle voorgaande generaties wraak nemen'."

Bovenstaand citaat van Safranski over Nietzsche doet profetisch aan. In gesprek met B. en JvL vorige week, over de opkomst van het populisme, poneerde ik, geïnspireerd door dit citaat, dat het probleem niet is dat de elite niet voldoende luistert naar de massa, maar dat de elite onvoldoende elitair is. Ze is haar geloofwaardigheid kwijt.

Dat klopt bij nader inzien maar heel gedeeltelijk. De hedendaagse democratie is zo ingericht dat de elite enerzijds en de massa anderzijds elkaar in evenwicht houden. Wat bij de opkomst van het populisme misgaat, is een complex aan factoren, waar de individualisering, de leeftijd van de babyboom-generatie, het internettijdperk en de overbevolking er slechts enkele van zijn. Deze samenloop van omstandigheden vind ik, ook al vanwege het verdwijnen van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, heel zorgwekkend.

Het citaat van Safranski gaat een eindje verder door: "Waarom merkt Nietzsche de overduidelijk cynische pointe van deze gedachtegang niet op? Waarschijnlijk omdat hij ervan overtuigd is dat de cultuurscheppende elite - als zij echt de elite is die zij voorgeeft te zijn - toch ook lijdt aan de wreedheid van het bestaan, en alleen in dit tragische besef het scherm van de kunst optrekt."

Hier lijkt het gedachtegoed van Nietzsche juist hopeloos achterhaald. Kunst is allang niet meer een scherm tegen de wreedheid van het bestaan. Ik zou zeggen: integendeel. De rol van kunst is in dit opzicht overgenomen door het entertainment van de massa. Het besef van de wreedheid van het bestaan speelt hierbij alleen onbewust een rol - en wordt niet meer geaccepteerd. Precies dat leidt volgens mij tot die 'cultuurverwoestende opstand'.

zondag 17 april 2016

Notities #221-223

221) Toen ik (op 11 oktober 2015) Vattimo citeerde, realiseerde ik me niet dat hij daarmee verwees naar Nietzsche. Kunst is in het denken van Nietzsche in de kern immoreel. In zijn boek over Nietzsche verwoordt Safranski het kernachtig: “Wie het welzijn van het grootst mogelijke aantal op het oog heeft, denkt moreel; wie het culmineren in geslaagde figuren, de extatische hoogtepunten als de zin van de cultuur opvat, denkt esthetisch. Nietzsche kiest voor de esthetische denkwijze.” Hij deed dit volgens Safranski overigens met het nodige plichtsbesef ten opzichte van de ‘arme massa’: kunst bestaat ten koste van hen.

Het standpunt van Nietzsche (voor het eerst geformuleerd in 1872) lijkt me gedateerd, omdat het uitgaat van een elitair type kunst, gemaakt door een elitair type kunstenaar. De gedachte gaat bovendien uit van de opvatting dat kunst een vorm van luxe is, wat ik niet geloof. En ik denk dat de esthetiek van kunst in hoge mate een morele (opvoedkundige, meningvormende) waarde heeft. Dit alles neemt niet weg dat de moraliteit van kunst een andere is dan de maatschappelijke moraal. Precies dat lijkt me ook in het belang van het ‘welzijn van het grootst mogelijke aantal’. De tegenstelling ‘moraal-esthetiek’ lijkt me kortom een schijntegenstelling.

Ik vatte de term ‘esthetiek’ in het citaat van Vattimo op als ‘het hogere’, kunst (esthetiek) als middel om tot het leven (het goddelijke) te komen. Dat is iets anders dan wat Nietzsche bedoelde, al is geloof ik niet een van beide standpunten ‘onjuist’.

222) De vier televisiefilms van Cagney and Lacey, die halverwege jaren negentig als een soort epiloog op de serie volgden (The Menopause Years) zijn teleurstellend, en dat is kennelijk precies de bedoeling. De verhaallijnen en verhoudingen tussen de verschillende karakters hebben zich in de tussenliggende jaren anders ontwikkeld dan gehoopt, en dan was te verwachten. Zodanig zelfs dat actrice Sharon Gless naar eigen zeggen in de war raakte: ‘I didn’t know who Christine Cagney was anymore’.

Het is een gewaagde insteek omdat het de ‘romantiek’ van de oorspronkelijke serie (o.a. de vriendschap tussen beide vrouwen) enigszins teniet doet, ook al omdat de ‘menopause’-afleveringen daar niet echt een alternatief voor bieden. Tegelijk is precies dat het mooie aan die afleveringen, omdat het (als de hele serie) een echte vriendschap laat zien, met hoogte- maar zeker ook dieptepunten.

223) Bij het lezen van de boeken van Agamben krijg ik voortdurend het idee dat de (westerse) cultuur zich steeds verder van haar basis af beweegt. Zijn uiteenzettingen aan de hand van o.a. etymologie en klassieke mythen impliceren dat de betekenissen algemeen bekend zijn geweest maar in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan. De ontwikkeling van de cultuur is feitelijk haar degeneratie. Het impliceert ook dat we, als we de lijnen terug maar ver genoeg doortrekken, uiteindelijk bij de kern (van god, het mens-zijn) aankomen – ware het niet, dat die kern steeds leeg blijkt te zijn.

vrijdag 27 december 2013

Notitie #93

Om het kwaad aan het woord te laten, vertelde ik N. laatst, heb ik fragmenten uit een toespraak van Adolf Hitler (als verpersoonlijking van het kwaad) in een gedicht opgenomen. Een cliché, vond ze. Altijd als het over het kwaad gaat, komt men met het nationaalsocialisme en Hitler op de proppen.

Of iets cliché is of niet maakt niet uit: dat mag geen argument zijn om een bepaald gegeven wel of niet te gebruiken. In zijn studie van het kwaad geeft Rüdiger Safranski echter een belangrijker argument om de fragmenten van Hitler  (hoe vervelend ik dat ook vind) te schrappen; evenals enkele andere gedichten die naar de Tweede Wereldoorlog verwijzen. Want Hitler staat voor een ander soort kwaad dan waar het mij om te doen is, namelijk wat Bataille het ‘vuige’ kwaad noemde. Dit kwaad stelde hij tegenover het ‘hartstochtelijke’ kwaad:

“Het hartstochtelijke kwaad is niet berekenend en wordt door geen enkele macht gelegitimeerd. Het vuige kwaad daarentegen dient een macht, een ideologie en wil zich in die zin nuttig maken. […] Niet hartstochten maar opdrachten spelen hier de belangrijkste rol.”

(Safranski, p. 201)

Markies de Sade toonde met een satire aan dat volgens dezelfde redenatie waarmee Verlichte denkers beargumenteerden dat de mens het goede moet nastreven, het tegenovergestelde kan worden onderbouwd (dus dat de mens het kwade moet nastreven). Bataille beoogde het (hartstochtelijke) kwaad te heiligen, Safranski schrijft daarover: “Als er aan het kwaad geen ontsnappen mogelijk is [deze notie onderbouwt hij in de voorafgaande pagina’s aan de hand van het oeuvre van Franz Kafka], waarom zou je er dan omgekeerd niet zelf iets heiligs en subliems van maken?”

Daar gaat het om: het sublieme.

Het is overigens niet zo, zoals hierboven wordt gesuggereerd, dat Bataille van het kwaad iets heiligs, subliems maakt: hij laat met zijn oeuvre zien dat het kwaad onderdeel is van het menselijke wezen - en daarmee ook van het heilige, sublieme.

zondag 1 december 2013

Citaat 1 december 2013

Welke tegenstelling kan scherper zijn dan die tussen God en mens? We kunnen onszelf alleen in God kennen, stelt Augustinus. We kennen onszelf doordat we onze vijand kennen, zegt Carl Schmitt.

Wat is de vijand? Dat is, zoals Schmitt later met een formulering van Däubler zegt, ‘onze eigen vraag als gestalte’. De vijand is de ander die bij mij hoort, omdat hij mijn existentie bedreigt.

- Rüdiger Safranski (1945)
Uit: Het Kwaad (1998), vert. Mark Wildschut

zondag 15 september 2013

Notitie #83

Volgens Friedrich Wilhelm Schelling, lees ik bij Safranski, is God het alomvattende begrip van het hele zijn. De grond (de oorsprong, en de substantie) van God kan dus niets anders zijn dan Hijzelf. Schelling gaat echter een stap verder door te beweren dat God zijn grond heeft in wat in God zelf niet God zelf is. Hij heeft het in dit verband over de afgrond van God, waaruit de nog onvoltooide, zich ontwikkelende God als in een natuurproces evolueert.

De notie van wat in God zelf niet God is doet wat geforceerd aan, maar komt wonderlijk overeen met het gat in de zon van Bataille, wat ik een sterk beeld van het kwaad vind. Het idee dat God aan ontwikkeling onderhevig is, spreekt me aan.

Safranski merkt in zijn behandeling van Schelling op: “[Schelling] vertelt ons ook over een God die op zoek is naar zichzelf. Een God wiens zelfwording tegelijk een waar-wording van de natuur is, een ontluiken van de natuur tot haar ware gedaante, zoals een bloem ‘ontluikt’. De schepping is dus niet in den beginne al goed, maar ze moet het nog worden. En daarbij geldt het principe: “Als iets goeds niet iets overwonnen kwaads in zich bergt, is het geen reëel en levend goed.”’

zaterdag 24 augustus 2013

Citaat 24 augustus 2013

In elk geval kan een wezen dat 'nee' zegt en de ervaring van het niets kent, ook voor de vernietiging kiezen. De filosofische traditie spreekt in verband met deze precaire situatie van de mens over een 'gebrek aan zijn'. Uit de ervaring van dit gebrek ontspringen vermoedelijk ook de religies. Als er wijsheid is in die religies, vertegenwoordigen zij een god die de mensen bevrijdt van de last om alles voor elkaar te moeten zijn.

- Rüdiger Safranski (1945)
Uit: Het kwaad, of het drama van de vrijheid (1998), vert. Mark Wildschut