Posts tonen met het label yra van dijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label yra van dijk. Alle posts tonen

woensdag 19 april 2023

Notities #459-460

459) In mijn recensie over De witte zon van de dood van Claude van de Berge voor Poëziekrant schrijf ik dat de dichter zich met verve de rol van orakel aanmeet. Nee, doe ik daarna alsof ik me bedenk: hij is het. Ik hang eigenlijk nog steeds tussen de bewering en de bedenking. Want: is Van de Berge een orakel, ja of nee? Nee, zou ik zeggen: als hij bij de bakker een krentenbolletje koopt, is hij geen orakel. Maar ik weet ook: ja, als hij gedichten schrijft, is hij wel degelijk een orakel. Hij is in taal, zijn taal, een orakel - en niet als persoon.

Over dat onderscheid valt veel te zeggen, en ook over de vraag: wat betekent dat, een orakel zijn? Het mooie aan De witte zon van de dood is dat de dichter consequent heel brede begrippen en concepten inzet: vlakte, weemoed, schaduw, zon, dood, etc.: ‘de isheid is’. Het zijn bijna gemeenplaatsen, maar hij zet ze zodanig in dat ze betekenisvol worden. Het narratief over het leven versus het individuele leven is ook bijna een gemeenplaats, maar ook hier weer zo overtuigend gebracht, dat het, naast dat narratief, een diepe waarheid verkondigt. En die waarheid wordt niet uitgesproken. Eigenlijk is niet Van de Berge het orakel, maar zijn poëzie..

460) 'The House Gone', het eerste deel van The Speak Angel Series van Alice Notley, is een eindeloze reeks indrukken, observaties, taalmomenten, verhalen en klanken, zonder directe samenhang. Ik ben geneigd om in de geest van Yra van Dijk te zeggen: de poëzie vertegenwoordigt een stilte. Maar dat klopt niet, of hooguit gedeeltelijk. Het is een soort lucide niet-weten. Een aanwezig niet-zijn. In die zin lijkt het op de (verwarde) geestesgesteldheid, de (diffuse) waarneming en het (onmachtige) taalvermogen van wie dementeert. En ja: het is een engelentaal.

maandag 6 augustus 2018

Notitie #320-323

320) Als wat ik in Notitie #318 schreef klopt ('Een kunstenaar stelt aanwezig, maar is het zelf niet'), is de consequentie voor de poëzie dat deze in een 'onpersoonlijke' taal wordt geschreven: er is (noodzakelijkerwijs) wel een stem, maar deze is niet te herleiden naar een spreker. Zoals de schilder zich (meestal) in het niet afgebeelde gebied van het schilderij bevindt. 

Ik stel me daar zoiets als de taal van Faverey bij voor (al zou je net zo goed kunnen betogen dat hij juist een hyperpersoonlijk soort poëzie schreef), of 'robottaal', wetenschappelijke taal, journalistieke taal... 

321) Maar ligt het niet genuanceerder? Want het klopt dus niet dat de kunstenaar niet aanwezig is: zijn blik is in het kunstwerk alomtegenwoordig. Dus: 'De kunstenaar stelt aanwezig - en in dezelfde beweging (buiten beeld) zichzelf'?  

Als je uitgaat van de dichters die Yra van Dijk in haar Leegte, leegte die ademt bespreekt (ik denk dat ik in die traditie schrijf), dichters die naar een leegte toe schrijven, zou de formule zelfs moeten luiden: 'Een kunstenaar stelt afwezig - en in dezelfde beweging (buiten beeld) zichzelf'. Waarbij ik moet aantekenen dat ik hier een tegengesteld 'afwezig' bedoel dan de toestand vóór het schrijven/scheppen, ik zou zeggen: een 'bezield' soort afwezigheid.

322) Welke consequenties heeft dit voor de taal? In ieder geval, dat kan niet anders, moet het onpersoonlijke 'niets' worden voorafgegaan door het persoonlijke 'iets'. Al het andere is een doen alsof, een anticiperen op een resultaat dat nog niet is bereikt. 

323) De hyperpersoonlijke taal van Gorters Verzen evolueerde binnen een jaar in het hyper-onpersoonlijke 'Een seizoen in een dag'.  Bij hem was dat een doodlopende weg. Zonder de 'bezieldheid' van het 'niets' is het dus gewoon niets. Dus uiteindelijk gaat het toch weer om een 'aanwezig stellen'. Het, zo je wil, laten ademen van de leegte.

maandag 1 april 2013

Notities #57-58

57) Veel werken van Luc Tuymans wekken de indruk de weergave te zijn van een televisiescherm dat niet goed staat afgesteld. Het afgebeelde valt vaak grotendeels weg tegen de achtergrond. Soms worden taferelen afgebeeld die een vertekening lijken, met name de religieus getinte werken lijken op deze manier een extra lading te krijgen. Dat wegvallen tegen de achtergrond doet denken aan de ´leegte die ademt´ van Yra van Dijk. Het is bijna alsof Tuymans streeft naar het witte doek. Denk ook aan de goddelijke ´leegte´ van Georges Bataille.

58) De andere tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag is die van de Impressionist Gustave Caillebotte. Fotografie was voor hem een belangrijke inspiratiebron, en dan met name de relatie van het fototoestel met het menselijk oog (en wat dit betekent voor de waarneming). Tuymans heeft ook een werk waarin het oog centraal staat. Die centrale rol van het oog doet trouwens óók weer aan Bataille denken.

zaterdag 18 augustus 2012

Notitie #29

De leegte als uitdrukking van het ultieme staat centraal in vrijwel alle beschrijvingen die Yra van Dijk in haar Leegte, leegte die ademt geeft van de functies van het typografische wit in de poëzie. Deze leegte was (en is) voor veel dichters het ultieme doel van de poëzie. Kenmerk van die leegte is vanzelfsprekend de afwezigheid van woorden; hooguit kan een overvloed aan woorden zorgen voor een vergelijkbare 'leegte', als een soort ruis, zoals dat in de taalopvatting van Samuel Beckett het geval is.

In een interview met dichter Claude van de Berge in Poëziekrant wordt juist het woord een nulpunt genoemd: "Het is innerlijk én uiterlijk. Het verbindt de oneindige binnenwereld met de oneindige buitenwereld. Het is dus een eenheid, een spiegelpunt dat een gelijkenis onthult. Het woord is een membraan dat de osmotische wisselwerking tussen innerlijkheid en oneindigheid geleidt. Dit spiegelzijn is het poëtische woord."

Dat is een mooie gedachte, zeker in het licht van het proefschrift van Yra van Dijk. Het levert echter in het geval van Claude van de Berge een poëzie op die mij te abstract is. 'Denkgezangen', noemt hij ze, en dat woord spreekt me aan omdat ik mijn eigen poëzie ook tegelijk meer 'denkend' en meer 'muzikaal' wil schrijven. Het is misschien een kwestie van smaak, regels als onderstaand zijn op zijn best ongrijpbaar, hoewel je met het bovenstaand citaat een heel eind kan komen in de interpretatie. Het is me té denkend; of eerder te zweverig, te los geraakt van de materiële wereld - en ook een beetje te theatraal, met die oeverpriesters en die wezensheelheid:


Het herscheppende versmelten van alle werelden
en wezens, in de gewijde openheid van het tempelpuin,
is het offer van onszelf aan het eindeloze.

Geleid door de windstem van de oeverpriesters.

De wezensheelheid stroomt als een rivier, helder
als de hemel op het voorhoofd.

En waar stem en bloem elkaar weerkaatsen in hun diepte,
zegt de oever: "Ik bewaar je sporen in mij."

En we roepen: "Ik ben teruggekeerd."
En de echo van onze roep gaat door alle ruimten.


- Claude van de Berge

dinsdag 24 juli 2012

Notitie #25

Interessant gesprek met E. over het wit en de stilte tussen de woorden. Zij ervaart de ruimte tussen de woorden (het wit) als de ruimte tussen objecten (de leegte). De tussenliggende ruimten zijn bepalend voor de betekenis van het woord en de identiteit van het object.

Het is natuurlijk niet alleen de lege ruimte, het wit, de stilte die de identiteit van het object of de lading van het woord of het geluid bepaalt, maar ook de verhouding tot de andere objecten, woorden, geluiden.

Een muzieknoot krijgt lading door de manier waarop ze zich verhoudt tot andere muzieknoten (en de stilte). Een woord krijgt lading (betekenis?) in de verhouding tot andere woorden (en de stilte). En ik geloof dat ook een object lading (nut?) krijgt in de relatie tot andere objecten (en de leegte).

In mijn ambitie 'vloeiende' gedichten te schrijven probeer ik juist de (verbindingen tussen de) betekenissen te optimaliseren door de tussenliggende ruimten zo klein mogelijk te maken of zelfs (maar dit is een utopie) op te heffen.

Losse gedachte die ik misschien later uitwerk, met hulp van het proefschrift van Yra van Dijk: een geluid (een toon, een woord) is het tegengestelde van de stilte; het negatief ervan, zou je kunnen zeggen. Zoals een object het negatief is van de leegte.

woensdag 27 juni 2012

Notitie #23

Mooi aan de historische uiteenzetting over het wit in de poëzie, aan het begin van Yra van Dijks Leegte, leegte die ademt, is de gedachte dat het wit het onzegbare uitdrukt, hetgeen niet in woorden is uit te drukken. Het alles laat zich alleen uitdrukken in het niets.