Posts tonen met het label e. du perron. Alle posts tonen
Posts tonen met het label e. du perron. Alle posts tonen

zaterdag 30 augustus 2025

Notitites #476-478

476) Opvallend dat in het Interbellum verschillende romans verschenen waarin het koloniale verleden van Nederland kritisch onder de loep werd genomen. Du Perrons Het Land van Herkomst is natuurlijk een opvallende. Anton de Koms Wij slaven van Suriname is bijzonder indringend: inderdaad, zoals er altijd over wordt gezegd, omdat het de eerste roman is vanuit het perspectief van de onderdrukte. Maar toch ook vanwege de gedetailleerde beschrijvingen van de gruwelen en de scherpzinnige analyse van de politieke en economische ontwikkelingen die daar aan ten grondslag lagen.

De Kom beschrijft kortom 'het kwaad', maar laat ook zien waarom het plaatsvindt. En dat 'waarom' is heel banaal: het recht van de sterkste, gecombineerd met een focus op economisch gewin, allebei tot het uiterste doorgevoerd. Nederland speelt een heel twijfelachtige rol in die geschiedenis, maar het is de geschiedenis van de hele westerse wereld. Het 'kwaad' (de gruwelen) en het 'waarom' (de economische en politieke dominantie van het westen) zijn twee kanten van dezelfde medaille, Daarom is de huidige tijd zo gevaarlijk.

477) Ik dacht altijd dat de Tweede Wereldoorlog een onderbreking was van de ontwikkeling van de romans van Du Perron en De Kom een expoaent van waren, de zelfreflectie van het westen en de kritische houding t.o.v. het koloniale verleden (dat toen nog geen verleden was). Dat is wel zo, maar meer nog is de Tweede Wereldoorlog de uiterste consequentie van wat er in (o.a.) die romans wordt beschreven.

478) Het slavernijtijdperk was een fase in de ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij; dat betekent dat de in de roman beschreven praktijken niet weg zijn, ze liggen alleen onder het oppervlak begraven. Daarom is het optimisme dat de naoorlogse decennia kenmerkte vals: de maatschappij, het systeem, was immers niet veranderd.

donderdag 5 mei 2022

Notities #441-443

441) J. formuleerde vrij precies mijn valkuil in het schrijfproces, een valkuil die voortkomt uit de vraag hoe een idee valt te realiseren. Het idee komt uit je, zegt hij, en zodra het uit je is, is het iets anders, namelijk iets dat buiten de maker bestaat. De vraag voor de dichter is dus niet: hoe zorg ik ervoor dat het idee wordt wat ik ervan wil, maar eerder: wat wil het idee en hoe zorg ik ervoor dat hier recht aan wordt gedaan? 

442) De gedachte dat de dichter enkel een medium is, dat een gedicht door iets externs (of het onderbewuste) wordt 'doorgegeven', vind ik mooi, De kunst is vooral: open staan, tijd nemen, en dat externe (of dus het onderbewustzijn) zo veel mogelijk ruimte geven.

443) Discussie met F. over de vraag of de moraal een plek heeft in de kunst (hij verwijt 'mijn' generatie dichters moralistisch te zijn). Ik vind zijn standpunt sympathiek ('kunst is autonoom en daarom niet de plek voor moraliteit'), maar hij heeft me niet kunnen overtuigen dat mijn houding ('je ontkomt niet aan je eigen wereldbeeld en perspectief') onjuist is. 

Du Perrons Het Land van Herkomst gold in het gesprek als voorbeeld - zowel de opmerkingen die Mieke Bal er eens over had (zij beschuldigde Du Perron van seksisme en racisme) als de conclusie van het boek (de auteur besluit mee te lopen in een communistische demonstratie tegen het fascisme). In het eerste geval is de roman (onbewust) immoreel, in het tweede (bewust) moreel.

Als kunst autonoom is, en in principe zonder moraal, dan is dat buiten de maker om gerekend. F. formuleert misschien een consequentie van J.'s opvatting van het schrijven.

vrijdag 27 mei 2016

Notities #226-227

226) Twee erotisch te kwalificeren ervaringen staan aan de basis van de Reves bekering tot het katholicisme, als we zijn Moeder en Zoon (dat ik deze week herlas) mogen geloven. De ontmoeting met Matroosje (‘de Zoon’) en twee erotische dromen over de Maagd Maria (‘de Moeder’). De hele roman schrijft Reve omslachtig om deze ervaringen heen, met onzin en grapjes, en als hij eindelijk de kern raakt, gaat hij er niet echt op door. Dat kan hij niet. Hij stuit daar op de magie van het geloof (en de erotiek), waar zijn hele oeuvre om draait. Zelf wijst hij ook op een aantal psychologische redenen om zich te bekeren (terugkeer naar moeder, aansluiten bij een ‘club’). Die zijn eigenlijk nogal onbeholpen.

227) Joost de Vries noemt in een stuk voor de Groene Amsterdammer Connie Palmens I.M. een kantelpunt in de Nederlandse literatuur, omdat het ‘alle grenzen tussen literatuur en leven [opheft]’. Hoewel hij in zijn inleiding moppert op alle informatie over auteurs die je eigenlijk liever niet weet, lijkt hij I.M. om deze reden te waarderen: ‘Ik kom in literatuur graag andermans waarheden tegen’.

De Vries noemt een aantal schrijvers die Palmen voorgingen in de ‘zelfmythologisering’, maar lijkt zich niet te realiseren dat het fenomeen teruggaat op in ieder geval de ‘vorm-of-vent’-discussie en Du Perrons Het Land van Herkomst. Ik begrijp Palmens noodzaak om een boek als I.M. te  maken, maar het boek is feitelijk de banalisering van de standpunten van Forum

Het is een misverstand dat Palmen in I.M. ‘alle grenzen tussen literatuur en leven [opheft]’. Wat zijn die grenzen dan? Wat is de literatuur van vóór I.M. dan waard, als die kennelijk gescheiden was van het leven? Of bedoelt De Vries met ‘het leven’ de triviale biografische feitjes die auteurs in hun boeken verwerken? 

De literatuur die een vaardig schrijver van die feitjes maakt heeft meer met ‘het leven’ te maken dan die feitjes zelf. Beter gezegd: een vaardig schrijver laat de literatuur in die feitjes zien.

zondag 5 oktober 2014

Notities #132-134

132) In een interview tijdens Literature Late Night in Den Haag vertelde Niña Weijers dat de redacteur het essay over Bas Jan Ader eigenlijk uit De consequenties had willen hebben, maar dat ze erop had gestaan dat het erin bleef. Voor beide standpunten valt iets te zeggen. Het is niet door een personage geschreven, het is dus een plek waar de auteur heel dwingend aangeeft hoe de roman geïnterpreteerd moet worden. Als zodanig is het geslaagd. Als essay is het verder aan de magere kant: ze zegt er niet veel meer in dan wat algemeen bekend is over Ader. Ze had de strekking van het essay prima impliciet kunnen laten. Tegelijk vind ik dat vreemde, ongerijmde wel mooi - en vind ik dat ze daar wel verder in had mogen gaan.

133) F. stelde laatst dat ze zich had geërgerd aan het ‘seksistische’ in mijn poëzie. Ik zou zelf het woord ‘seksistisch’ niet gebruiken maar begrijp haar ergernis wel.

Door hun seksualiteit worden man en vrouw voor elkaar ‘de ander’. Ik zou ‘seksisme’ definiëren als het de vrouw beschouwen als minderwaardig vanwege haar vrouw-zijn. Anderzijds kun je de drang de vrouw te bezitten (wellicht zelfs te overheersen) beschouwen als ‘seksistisch’. Van het eerste is in mijn poëzie m.i. geen sprake. Van het tweede wel.  Het eerste is namelijk de ontkenning (of opheffing) van ‘het heilige vrouwelijke’; het tweede de bevestiging ervan. Die tweede vorm van ‘seksisme’ is te beschouwen als een vorm van eerbied, van mateloze liefde (vgl. Du Perrons Het land van herkomst).  

134) Emil Cioran omarmt in zijn essay ‘De omgang met mystici’ de tegenstrijdigheden in het werk van de grote mystici. Hij fulmineert tegen interpretaties van het werk die daar eenheid in willen brengen. Hij noemt dat ‘systeemdwang’: “Angelus Silesius houdt zich […] minder bezig met God, dan met zijn God. […] De één zowel de ander slooft zich uit om de uitspraken netjes op orde te brengen […]. Ze willen weten wat hun auteur dacht van de eeuwigheid en van de dood, systeemfanaten die ze zijn. Wat hij ervan dacht? Van alles en nog wat! Het waren zijn eigen, persoonlijke en absolute ervaringen. Zijn God is nooit afgerond, altijd onaf en veranderlijk.”

maandag 21 juli 2014

Notities #122-123

122) Volgens Bataille bestaat het heilige uit het goede én het kwade. De overtredingen van de verboden (‘grensoverschrijdingen’) zijn inherent aan onze menselijkheid, en noodzakelijk om de heiligheid van de verboden te onderstrepen. In de woorden van zijn vertaler:

Voortdurend pleit Bataille voor de erkenning van het Kwaad als wezenlijk onderdeel van de menselijke existentie. Erkennen we het Goede, dan dienen we ook het Kwaad te erkennen, want beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alleen omdat we het goede kennen, weten we wat kwaad is, en omgekeerd. Het ene kan onmogelijk bestaan zonder het andere. […] Bataille erkent het kwaad nadrukkelijk wel, en hij wil het ook tot gelding laten komen. Natuurlijk niet in een concrete vorm, maar door een beroep te doen op de geest, de fantasie.

(De erotiek, p. 205-206)

De moeilijkheid die ik - met Ger Groot - ondervond in de erkenning van het Kwaad, tijdens de bestudering van o.a. Bataille, Crowley en De Sade, is onnodig: in tegenstelling tot mijn (en zijn) veronderstelling is het in de erkenning van het Kwaad geen probleem (noch voor de praktijk, noch voor de filosofie) als de mogelijkheid van het kwaad beperkt blijft tot de verbeelding.

In een artikel dat J. schreef n.a.v. een gesprek met mij wordt dat ‘een radicaal geloof in de verbeelding’.genoemd. De verbeelding is te beschouwen als een parallelle werkelijkheid, die niet minder waarachtig is dan de concrete.

123) N.a.v. de situatie in Gaza en de ramp met de MH17 klaagt Abdelkader Benali dat de huidige generatie schrijvers te weinig engagement toont. De gebruikelijke reflex, die behoorlijk vervelend is, al snap ik de emotie wel. Benali verwijst met enige weemoed naar Ter Braak en Du Perron; zijn oproep lijkt me dus met name die tot een actieve deelname aan het maatschappelijk debat door schrijvers (i.p.v. een roep om geëngageerde literatuur). Ik denk dat slechts een handvol schrijvers het moreel gezag heeft om die rol overtuigend te spelen -  maar wellicht voelt een aantal mindere goden de behoefte die rol ook op te eisen.

Hoe dat bijvoorbeeld in de situatie rond de MH17 had geholpen is me niet duidelijk, en ik denk dat het eerder onkunde en onmacht is dan onwil. Een zinnige bijdrage aan het publieke debat vergt eigenschappen die mensen die zich hebben gespecialiseerd in het schrijven van boeken niet per definitie hebben.

Maar goed, er zou veel gewonnen zijn als de verbeelding een wat prominentere rol gaat spelen in alle lagen van communicatie. We hebben niet zozeer behoefte aan meer 'straatrumoer' in de letteren. We hebben behoefte aan meer letteren in het straatrumoer.

vrijdag 9 maart 2012

Waarom dit blog (slot)

Ik geloof niet in polemiek. Een rare opmerking misschien voor een bewonderaar van Ter Braak en Du Perron. In Het Plagiaat beschrijft Ewoud Kieft hoe Menno ter Braak zich vlak voor zijn dood verdiepte in een plagiaatgeval, waarbij een katholieke recensent een artikel van hem met enkele kleine aanpassingen had overgenomen. Ter Braak, die in een langlopende polemiek met Anton van Duinkerken het katholicisme had bestreden, realiseerde zich hierdoor hoe katholiek zijn eigen betoog eigenlijk was. De polemist verloor zijn geloof in de polemiek.

Maar ook buiten dat: wie zich op het internet mengt in discussies over poëzie verliest al snel het idee dat die discussies ergens goed voor zijn.

Tegelijk is het formuleren van een mening van zichzelf polemisch te noemen, simpelweg omdat die mening nu eenmaal nooit, of laat ik zeggen: zelden samenvalt met de mening van anderen. In gesprekken vertoon ik de neiging te zoeken naar de punten waarop mijn mening aansluit op die van de ander. Dat is sociaal gezien misschien wel prettig, maar dichten is geen sociale bezigheid.

dinsdag 6 maart 2012

Waarom dit blog

Omdat ik als recensent, maar vooral als dichter, een stap wil zetten is het nodig mijn ideeën en opvattingen verder te ontwikkelen en daarvoor is het ook nodig dat ik ze articuleer. Dat kan natuurlijk in een schriftje maar ik denk dat ik beter formuleer op een (semi)openbaar podium. Dat 'semi' zet ik erbij omdat de 'echte' podia waar ik momenteel voor schrijf de 'politiek' (hoe betrekkelijk ook) meeweegt. Dat ben ik beu. Dit is een hoekje van het internet waar het gordijn nog dicht is en ik de commentaren (in het echt en in mijn hoofd) kan uitschakelen.

De behouden prullenmand is de titel van de bundel waarin E. du Perron in 1925 de geschriften verzamelde die hij onder het pseudoniem Duco Perkens had geschreven. Ik heb geen goed pseudoniem bedacht. Maar dit blog is wel degelijk het gevolg van de behoefte om te schrijven en te denken als een ander. Of preciezer: de behoefte die ander te creëren uit wie ik ben.