Posts tonen met het label rené girard. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rené girard. Alle posts tonen

maandag 8 februari 2016

Notitie #216

Of neem de reeks afbeeldingen ‘Martyr porn’ van Laurette Massant (over 'ketenen' gesproken). Het is een reeks aan de SM ontleende beelden van naakte, vastgebonden, geknevelde en gemartelde vrouwen. Het is gemakkelijk aanstoot te nemen aan deze (veelal afschuwelijke) beelden, omdat ze sterk lijken op pornografische beelden, en daardoor lijkt het alsof ze hetzelfde doel dienen: het wekken van lust door het zien van de pijn en vernedering van de vrouw.

Massants positie is echter niet dezelfde. Dat blijkt expliciet uit de religieuze symbolen die ze in veel van deze afbeeldingen verwerkt, en o.a. het gebruik van de kleuren blauw en goud (de kleuren van respectievelijk de Maagd Maria en de Heilige Geest) en het woord ‘martelaar’ in de titel. In de katholieke traditie hebben martelaren een centrale rol: zo goed als alle katholieke heiligen zijn een gruwelijke, gewelddadige dood gestorven. Dat is een belangrijke factor in hun heiligheid.

D.i., het ondergaan van geweld is dat. Het toebrengen van geweld is daar, in ieder geval in dit verband, onlosmakelijk mee verbonden. Denk ook aan Girards zondebok-theorie. Het medelijden met het slachtoffer, en de versterking van de liefde die dat teweeg brengt, verlangt het geweldopdat met die enorme intensiteit van het slachtoffer kan worden gehouden. Opdat de heiligheid wordt bereikt. 

zondag 11 oktober 2015

Citaat 11 oktober 2015

Het Paradijs kan niets anders dan een spel zijn. Het doel van ons leven is een esthetisch doel, en kan geen ethisch doel zijn. Ook al telt, in de tussentijd, de ethiek duchtig mee. 'In de tussentijd' betekent: eerbied voor de anderen, eerder dan eerbied voor objectieve normen.

- Gianni Vattimo (1936)

Uit: René Girard en Gianni Vattimo: Waarheid of zwak geloof? Dialoog over christendom en relativisme (2008). Vert. J.M.M. de Valk.

zondag 26 juli 2015

Notities #173-175

173) De slotscene van Roman Polanski’s Venus in fur is magistraal. De climax is gebaseerd op een omkering: de man die onderworpen wil worden, dwingt de vrouw in de dominante rol. In de film wordt dit door een daadwerkelijke omkering van de rolverdeling geïllustreerd: de man die de onderdanige man speelt, gaat de dominante vrouw spelen die op haar beurt wordt onderworpen. Op die dubbele onderwerping van de vrouw wordt hij afgerekend: zijn object van verlangen Vanda, die al vanaf het begin een verschijning lijkt, ontpopt zich als bacchante.

Maar neemt ze wraak, of vervult ze zijn diepste verlangen? Het is het filmische equivalent van het pak rammel dat Severin in het boek krijgt; al komt de filmversie me nog iets genadiger voor.

De ambiguïteit van de film is mooi, omdat het meer recht doet aan de ambiguïteit van het verhaal dan het slot van Sacher-Masochs boek, dat een beetje moralistisch is. De film doet ook recht aan de heiligheid van de verstandhouding. Een heiligheid, overigens, die grote overeenkomsten vertoont met Girards zondebok: het offer is voor de offeraar tegelijk het meest verachtelijke, als het heiligste wezen.


174) De Grease-cover ‘You’re the one that I want’ van Angus & Julia Stone is duidelijk erotischer dan het origineel. Dat ligt aan het arrangement, maar ook aan de zang van Julia Stone. Tijdens de live uitvoering, vorige maand in Vredenburg Tivoli, werd dat benadrukt doordat de zangeres het publiek mee liet zingen met het ‘oooh, oooh, oooh’ uit het refrein. Maar ik had het idee dat het publiek de erotiek van het nummer niet volgde, of in ieder geval niet goed vertolkte.



175) Sierk van Meeuwen speelt met beelden uit de pornografie en de iconografie. In ‘Terrorist’, op de Zomerexpo 2015 in Gemeentemuseum Den Haag, beeldt hij een terrorist als pin up af. Het is een (niet al te subtiele) uitbeelding van het erotiserende van geweld (en het gewelddadige van erotiek). In de catalogus van de expositie wijst hij erop dat het werk het terrorisme belachelijk maakt, maar dat zie ik niet. Ik vind zijn cartoonachtige stijl interessant, maar vind ook dat zijn vaak erg directe realisme (om het zo maar te noemen) de diepere laag  hindert. 


zondag 14 juni 2015

Notitie #171

Niet lang geleden heb ik besloten de gerichtheid in mijn gedichten niet meer uit te drukken in de aanspreekvorm (‘u’), maar uitsluitend nog uit de context te laten blijken. Het ‘u’ uit o.a. mijn eerste bundel maakt mijn taal, die van zichzelf al gedragen is, nogal formeel - en daarmee een beetje onhandig.

Inhoudelijk klopt het ook beter: al vanaf mijn tweede bundel spreekt de aangesproken godheid terug, en steeds meer op basis van gelijkheid (al was het maar omdat ik de godheid een stem geef): God heeft de gelovige, om te zijn, minstens zo hard nodig als de gelovige God. Het spiegelmotief in mijn werk duidt volgens mij ook op tenminste een verinnerlijking van God, en een identificatie met het goddelijke (en andersom: God identificeert zich met het menselijke). 

Daarom vind ik dat ik God wel mag tutoyeren, en God mij.

Je zou met Girard kunnen zeggen dat mijn transcendentie in de loop der jaren ‘horizontaler’ is geworden. In De romantische leugen en de romaneske waarheid laat hij aan de hand van enkele grote literaire werken zien dat de mens geen autonoom wezen is, maar daarentegen in zijn ‘zijn’ afhankelijk is van externe factoren: maatschappij of religie. Mimesis vormt de basis van zijn ontwikkeling, het nabootsen van modellen, waarbij de verticale transcendentie (de gerichtheid op, en mimese van God) in de loop van de cultuurgeschiedenis terrein heeft verloren op de horizontale transcendentie (de gerichtheid op, en mimese van andere mensen).

De horizontale mimese levert rivaliteit en strijd op, waarbij de focus al snel komt te liggen op de rivaal, in plaats van hetgeen dat de rivaliteit veroorzaakt. Hier valt (althans, volgens de door Girard besproken werken) alleen via de dood aan te ontkomen (niet per se een fysieke dood). De andere route loopt via het geloof, zoals ook bijvoorbeeld kunstenares Laurette Massant aangeeft. Dat laatste zou in mijn geval een terugkeer naar het ‘u’ moeten betekenen, of in ieder geval: een nieuwe, meer ‘verticale’ oriëntatie.

zondag 1 juni 2014

Notitie #113

In Girards God en geweld wordt ingegaan op de godheid in het werk van Hölderlin in de periode vlak voordat hij in 1806 waanzinnig werd:

De slingerbeweging van de god en het niets in de relatie tussen Hölderlin en het andere kan in poëtische, mythische, quasi religieuze vormen worden uitgedrukt, maar ook in een perfect rationele vorm, die tegelijkertijd de meest bedriegende en onthullende is: de brieven aan Schiller beschrijven zeer helder hoe het model van de begeerte een obstakel en een rivaal wordt. [p. 157].

In de voorgaande pagina’s zet Girard het principe van het kudos uiteen, ‘de hoogste en onbestaande inzet van een onderling gevecht tussen de mensen’. Het kudos is het meest begerenswaardige (d.i., een goddelijke status), dat echter voor mensen slechts tijdelijk te verwerven valt - vergelijkbaar met een sportprijs. De mens is beurtelings god en onderdaan. Hölderlin verwoordt dat o.a. als volgt:

Met enige melancholische vreugde zie ik mezelf terug, toen ik er alleen aan maar dacht om een tedere glimlach te bedelen, om me te geven, om me aan de eerste de beste over te leveren! Ach! Hoe vaak heb ik gedacht het Onuitsprekelijke te vinden, te bezitten, omdat ik eenvoudigweg helemaal in mijn liefde durfde op te gaan!

zondag 20 april 2014

Notities #109-110

109) Op verschillende plaatsen in René Girards uiteenzetting van de zondeboktheorie in God en geweld heb ik in de kantlijn genoteerd: ‘Christus’. Niet zozeer omdat hij één op één verwijst naar het Passieverhaal, maar wel omdat hij daar duidelijk op alludeert. Hier bijvoorbeeld:

In al de mythen trekt de held immers het geweld naar zich toe, een boosaardig en besmettelijk geweld dat de hele gemeenschap treft en dat door zijn dood of zijn triomf omslaat in orde en veiligheid.

En op dezelfde pagina:

Nog andere thema’s zouden de offercrisis en haar oplossing kunnen verbergen, zoals het thema van de collectieve heil dat van een god of demon bekomen wordt ten koste van één slachtoffer. 

En:

Lienhardt zelf omschrijft het slachtoffer als scapegoat, een zondebok, die de ‘drager van de menselijke hartstochten’ wordt. We hebben inderdaad met een waarachtige dierlijke farmakos te maken, een kalf of een os als zondebok die niet zozeer vaag omschreven ‘zonden’ op zich neemt dan wel de reële gevoelens van vijandschap die de leden van de gemeenschap voor elkaar koesteren, hoewel die meestal verborgen blijven.

Zelf legt Girard de relatie met het verhaal van het lijden en sterven van Christus niet expliciet. Toch is Christus m.i. een duidelijk voorbeeld van een zondebok (de buitenstaander op wie de gemeenschap zich met al dan niet terechte beschuldigingen richt om het geweld dat binnen de gemeenschap aanwezig is te kanaliseren; door het doden van het slachtoffer wordt de gemeenschap van dit geweld gered).

Girard richt zich in zijn studie op de voorchristelijke, ‘primitieve’ culturen, waar de Bijbelverhalen in zijn geworteld. Ik vermoed dat hij de parallel bewust (in ieder geval voorlopig) impliciet laat om zijn theorie zo zuiver mogelijk te kunnen formuleren.

110) Een zuiverheid, overigens, die de tentoonstelling ‘Stille kracht’ in de Warande in Turnhout miste. Hier was het ritueel in zijn algemeenheid het onderwerp en stonden primitieve en christelijke rituele voorwerpen (al dan niet van verering) en handelingen door elkaar: heiligenbeelden, crucifixen, voodoopoppetjes, heksenspiegels, magische cirkels, etc - en de moderne interpretaties daarvan. De tentoonstelling miste focus, maar liet door deze opzet wel de rijkheid van het onderwerp zien.

Juist de moderne werken benadrukten de primitieve wortels van het christendom. De buste ‘If you were coming in the fall’ (2012) van Femmy Otten had bijvoorbeeld een opvallende overeenkomst met de reliekbuste van de onbekende vrouwelijke heilige uit de vierde eeuw in een andere zaal, behalve dat het werk van Otten veel primitiever oogt.


zondag 16 februari 2014

Notities #100-103

100) Voor ‘Coast to coast’, dat verscheen op wat zijn postume cd From a basement on a hill (2004) zou worden, vroeg Elliott Smith een bevriend dichter, Nelson Gary, een gedicht te schrijven over zelfgenezing, of de onmogelijkheid daarvan. Het werd ‘Exile in Paradise’s Tourmaline’, een prachtige opname van dat gedicht is te horen in de begeleiding van ‘Coast to coast’, Gary publiceerde het in zijn bundel Queen Maeve’s Boneyard (2008).

Gary’s roerende relaas deed me denken aan een opmerking van een andere vriend van Smith, Sean Croghan, in het cd boekje van een andere postume release, New Moon (2007). Croghan verzet zich tegen het beeld van de depressieve Smith dat na diens zelfmoord is ontstaan. Elliott Smith was een gewone kerel, zegt Croghan, met zijn goede en slechte kanten, en zijn goede en slechte buien. Smiths zelfmoord, en de teksten die daar naar vooruit lijken te wijzen, lijken Croghan tegen te spreken. Maar de depressieve teksten waren volgens Croghan gewoon in de mode in de scene waar Smith zich in bevond.

101) ‘Coast to coast’ gaat over een ‘circuit rider‘, een rondreizende predikant zoals die in de Verenigde Staten van de 19de eeuw actief waren. Dat deed me denken aan het indrukwekkende reisverslag van Otto Rahn, die in de jaren ‘30 een zoektocht naar de Heilige Graal ondernam en deze reis in een bonte collage van religieuze geschiedenis, Bijbelteksten, mythen, sprookjes en liederen beschrijft. Het resulteert in het erudiete, poëtische en ook grimmige Lucifer’s Court (1936, ik lees het in Engelse vertaling). Indrukwekkend is hoe hij ook de ‘fictieve’ werken als reële werkelijkheid behandelt.

Het is treurig dat Rahn toen, in 1936, door Himmler was ingelijfd in de SS, met als opdracht de superioriteit van het Germaanse ras wetenschappelijk te onderbouwen. Het boek wordt ontsierd door enkele passages waarin Rahn de wens uitspreekt dat de Joodse cultuur voorgoed uit Europa zal verdwijnen - duidelijk opgeschreven uit lijfsbehoud omdat elk verband met de rest van het boek ontbreekt. Vlak voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd Rahn ontslagen uit de SS, of nam hij ontslag. Hij werd niet lang daarna gevonden op een berg, doodgevroren. Algemeen wordt aangenomen dat hij zelfmoord pleegde, al dan niet onder dwang van de SS.

102) In zijn studie God en geweld behandelt René Girard het rituele offer. Dit was bedoeld om de behoefte aan wraak te kanaliseren, om zodoende te voorkomen dat een misdaad kon leiden tot escalatie van het geweld. Ons huidige rechtssysteem bevredigt diezelfde behoefte aan wraak. In primitieve culturen werd geweld gezien als een besmettelijke ziekte. Het geofferde dier of mens mocht dan niet d.m.v. geweld worden omgebracht maar werd dan bijvoorbeeld op een berg achtergelaten. Het is verleidelijk, maar misschien wat al te romantisch - en hoe dan ook historisch onjuist - in dit verband te wijzen op de dood van Rahn.

103) Girard wijst op het ‘nauwe verband tussen sexualiteit en geweld’, die zich uit in tal van overeenkomsten en die door zo’n beetje alle religies wordt onderkend. Merkwaardig is dat hij hierbij alleen het seksueel geweld noemt (verkrachting, incest) en niet seks als zodanig. Daar laat Girard m.i. na de consequentie te trekken uit hetgeen hij zelf schreef.