zondag 18 april 2021

Notities #412-414

 412) F. noemt Agamben een moralistich filosoof. Mijn generatie, zegt hij, houdt zich veel bezig met moraal. Dat vindt hij niet per se iets positiefs: hij vindt dat ik Agamben zou moeten 'overwinnen'. Hij heeft natuurlijk gelijk dat poëzie, als alle kunst, geen moraal heeft. Tegelijk vind ik dat deze tijd vraagt om geëngageerde poëzie.

413) In het verlengde hiervan wijst F. erop dat Bataille het 'kwaad in het kind' beschrijft. Dat is een interessant onderwerp. Ik heb de bewuste passage nog niet gevonden, maar de notie op zichzelf lijkt me (op voorhand) wat eenzijdig. Mijn ervaring is dat een kind in alles onbegrensd is: tegelijk extreem empathisch als extreem egoïstisch - en ja, ook sadistisch. Wordt dus vervolgd.

414) Het komt allemaal neer, zegt F., op de betekenis van de mythes.

zondag 11 april 2021

Notitie #411

 

De latere Elvis leek vaak niet te weten wat hij zong en daar ook niet echt in geïnteresseerd. En zijn band had evenmin contact met de liedjes. In deze opname uit 1970 lijkt hij zich wel degelijk te verdiepen in de tekst. Afgaande op zijn (grappende) opmerkingen tijdens en na het liedje, vat hij de tekst van 'Something' van The Beatles primair seksueel op, waar George Harrison het als iets 'hogers', of in ieder geval moeilijk grijpbaars voorstelde. Maar Elvis was tegen die tijd al vooral een act geworden, letterlijk een attractie. Het draaide bij hem, ook hier, vrijwel uitsluitend om zijn stem, die een soort auditieve voortzetting van zijn charisma was. En die was ook primair seksueel.

vrijdag 26 maart 2021

Notitie #410

Volgens Simondon, lees ik bij Agamben (Profanaties), verhouden we ons door middel van emotie tot het pre-individuele: '[z]ich emotioneren betekent het onpersoonlijke in zich voelen [...]'. Mij lijkt het tegendeel waar (de emotie is juist het meest persoonlijke) - maar Agamben werkt de notie niet uit, hij gebruikt het als opstapje tot zijn eigen betoog over de (goede en de kwade) Genius. De Genius komt in alle culturen voor. In de christelijke als de beschermengel en de demon en in de 'Iraanse engelenleer' als de engel Daena, die vanaf de geboorte over elk mens waakt: Daena is een soort Dorian Gray die met elke handeling van de mens transformeert. 

Het pre-individuele, dus hetgeen aan het individu vooraf gaat, is kennelijk, in ieder geval bij Agamben, tegelijk óók het individuele zelf - én het buiten-individuele. Daar wordt dan niet alleen hetgeen het individu vormgeeft mee bedoeld, maar ook andersom: hetgeen door het individu wordt vormgegeven.

dinsdag 12 januari 2021

Notitie #408-409

408) Het gevoel (maatschappelijk en persoonlijk) op een grensgebied te staan. Het gevoel dat ik alles wat ik nog wil (af)maken, gemaakt moet zijn vóór die grens wordt overschreden. Daarna kan het niet meer, althans niet op de manier die me nu voor ogen staat. Alles wat ik schrijf, is al tijdens het schrijven achterhaald.
 

409) B. wees me op de dit fragment uit 1979, waarin interviewer Dick Cavett zich op zijn minst onhandig uitdrukt. In het tenenkrommende begin heeft hij het over Sophia Lorens 'gunstige' kant en vestigt hij de aandacht op de implicatie daarvan (dat ze ook een ongunstige kant heeft) door te ontkennen dat hij dat wilde impliceren. 

Daarna wil hij iets zeggen over de magie van Lorens verschijning op het scherm, maar daarbij maakt hij twee vergissingen: 1) hij doet dat door zich negatief uit te laten over Lorens 'off-screen' verschijning en 2) hij seksualiseert die magie. De magie van Loren, die hij wil duiden, omvat namelijk veel méér dan het gegeven dat hij benadrukt (dat ze een mooie vrouw is). Bevindt de magie, hetgeen niet is te bevatten, zich neurologisch in hetzelfde gebied als de erotiek? Of, waarschijnlijker, reageerde hij gewoonweg te masculien, omdat de magie in dit geval teweeg wordt gebracht door een mooie vrouw?

dinsdag 22 december 2020

Notitie #407

 

Verfrissend hoe de makers van Rudy's Grote Kerstshow spelen met cliché's. De kinderserie is goed gemaakt (sterk verhaal, goed acteerwerk, mooi gefilmd) en die kwaliteit wordt samengebald in de muziek. Enerzijds spreekt er uit de liedjes, die intelligente imitaties van dertien-in-een dozijn-hitjes zijn (inclusief de wereld aan gebaren en dansjes die daar bij hoort), veel humor en plezier. Anderzijds zijn ze heel direct, omdat ze de indruk moeten wekken dat ze door kinderen zijn geschreven. Daardoor is het 'geoorloofd' om platgetreden cliché's te gebruiken en zie je ineens dat die, als ze oprecht worden ingezet (bij 'Sara's Liedje'), of met een niet-ironische knipoog (bij o.a. 'Ik Voel Dingen' en 'Kerst is Olé'), enorm effectief zijn.

zondag 13 december 2020

Notities #404-406

 404) Schrijven is in de eerste plaats vertrouwen op (de validiteit van) het eigen perspectief, en de (vanzelfsprekend eigen) manier om die te verwoorden.

405) Vorm volgt inhoud.

406) De gesprekstof van A. verschilt misschien niet veel van andere vierjarigen, maar fascineert me eindeloos veel meer, omdat ik alles wat daarachter groeit, broeit en zich ontwikkelt voel, ervaar en wil kennen. Haar eigenheid is, door haar nabijheid, lastig te onderscheiden van mijn projecties.

maandag 30 november 2020

Notities #402-403

 402) Al in 1941 signaleerde George Orwell het einde van de autonome individu ('or perhaps one ought to say, in which the individual is ceasing to have the illusion of being autonomous'). In de recent uitgegeven bloemlezing Fascism and Democracy is hij allesbehalve optimistisch over de ontwikkeling van de mensheid (zie ook natuurlijk zijn 1984).

De analyse is des te wonderlijker, omdat hij hem noteerde in een periode waarvan tegenwoordig juist vrij algemeen wordt gesteld dat die het failliet van de ideologieën betekende: het individualisme ontwikkelde zich pas echt na de Tweede Wereldoorlog. Lang is gedacht dat hij (met 1984) ongelijk heeft gekregen, maar het is onthutsend om te zien hoe we ons nu op precies hetzelfde punt lijken te bevinden als waar we volgens Orwell in 1941 al waren aanbeland, en te bedenken dat hij destijds buiten de social media rekende (waar het individualisme het individualisme opheft).

403) Iconen, zegt Merleau-Ponty met Descartes in Oog en geest, zijn enkel het 'beeld' van hetgeen ze weergeven, 'op voorwaarde dat ze 'er niet op lijk[en]'' (p. 39). Hij vergelijkt ze met de verhouding van taal en tekens, die eveneens op 'geen enkele wijze lijken op de dingen die ze betekenen'. Hij beschrijft het zien als een 'denken dat strikt de in het lichaam gegeven tekens ontcijfert' (p. 40). Het mentale beeld, dus: het zien dat voor ons aanwezig maakt wat afwezig is, is volgens Descartes net zo goed een denken dat steunt op lichamelijke aanwijzingen.