maandag 8 april 2024

Notitie #463

Literatuur, schrijft Maarten van Buuren in Verschuivingen, verdichtingen, is vergelijkbaar met dromen. Hij schrijft dat naar aanleiding van zijn bespreking van Sigmund Freuds Die Traumdeutung

Dromen zijn 'zwaar gehavende of sterk gecodeerde boodschappen', en daar zit de 'onbewuste boodschap' in verborgen. Van Buuren zegt dat niet expliciet, maar in de lijn van Freud zullen dat boodschappen aan het Ich zijn, van het Über-Ich  enerzijds, en het Es anderzijds. Bij de vorming van dromen vindt er verschuiving en verdichting plaats - en worden gedachten en gevoelens (verlangens, angsten) aanschouwelijk gemaakt. 

De verschuiving vindt plaats omdat bepaalde voorstellingen beladen zijn, in die droom wordt verschoven naar een minder beladen voorstelling: 'Stel dat je bang bent voor meneer X, dan kan die angst zich in de droom manifesteren doordat daarin een vriend van X voorkomt, of de auto van X."

De verdichting is daarentegen meer een soort concentratie, waarin de voorstelling een kruispunt vormt van associatieketens. Personen, bijvoorbeeld, zijn 'verzamelpersonen', de gedroomde persoon draagt de jas van X, heeft het kapsel van Y en gedraagt zich als Z.

De aanschouwelijkheid, tenslotte, is het resultaat van een symbolische behandeling van de voorstellingen. Als iets bijvoorbeeld 'overvloedig' is, kan dat zich in de droom uiten als overstroming.

Dat laatste roept de vraag op welke rol taal in dromen speelt. Volgens Freud behoren woorden in de droom tot de 'dingvoorstellingen', die zijn onderworpen aan het orimaire proces; daarentegen zijn 'woordvoorstellingen' onderworpen aan het secundaire proces, waarin het bewustzijn domineert. 

Op dit punt had Jacques Lacan fundamentele kritiek. Taal ontwikkelt zich volgens Lacan immers volgens dezelfde regels van verschuiving (metonymie) en verdichting (metaforen). Niet het Ich staat centraal in dromen, maar de taal zelf. Of, zoals Van Buuren het (naar Lacan) uitdrukt: "Taal is volgens hem geen middel met behulp waarvan de mens zich als individu bevestigt, maar integendeel een anonieme structuur waaraan de mens zich ondergeschikt maakt vanaf het moment dat hij leert spreken."

Van Buuren besluit zijn essay met de opmerking dat dromen 'poëtisch' zijn. "De grondregels die Freud voor de droom opstelde," aldus Van Buuren, "zouden wat mij betreft ook dienst mogen doen als eisen die aan een goed gedicht moeten worden gesteld." 

Na een uiteenzetting van wat die eisen zijn, signaleert Van Buuren dat Freud die parallel zelf niet legt. Terecht, wat mij betreft; als hij zich daar al toe geroepen zou hebben gevoeld, zijn dergelijke eisen aan poëzie alleen in de meest algemene termen houdbaar. De opmerking fungeert vooral als onderstreping van Van Buurens conclusie dat de droom "een drijfveer [is] die ons denken en handelen zo diepgaand beïnvloedt dat het bestaan kan worden opgevat als een stelsel fantasieën [...]."

Dat geldt dus voor alle gedachten en handelingen, het schrijven van gedichten incluis. Hooguit proberen dichters dit soort processen te expliciteren (zowel het proces zichtbaar maken, als het onder woorden te brengen: het Ich dat aan zichzelf probeert uit te leggen wat het über-Ich en het Es bedoelen).

Van Buuren noemt het bestaan als een stelsel fantasieën een 'duizelingwekkend perspectief' - en dat is het, omdat de concrete, bestaande wereld in deze context eveneens een 'fantasie' is. Alles is een fantasie. De vraag is alleen: van wie?

vrijdag 30 juni 2023

Notitie #462

Het verleden en de toekomst bestaan niet, aldus Jan Keij in zijn uitleg van de filosofie van Levinas (in relatie tot het boeddhisme) in Tijd als kwetsbaarheid in de filosofie van Levinas. Wat steeds bedoeld wordt, is dat je steeds alleen het heden kunt waarnemen; dat het heden uiteindelijk het enige is dat er is. En zelfs dat is de vraag, want het heden is, aldus ook Keij, op te vatten als een leegte die verleden en toekomst aan elkaar verbindt: 'verleden en toekomst zijn rechtstreeks aan elkaar geplakt'. Daarom beschouwt het boeddhisme het heden niet als een tijdsmodaliteit maar wordt het beschouwd als een 'tijdsloze tijd', een 'eeuwig present'.

Het niet bestaan, of het 'illusoire' van heden en toekomst lijkt me al te theoretisch. Dat zou betekenen dat wat we niet (direct) waarnemen, ook niet bestaat (of illusoir is). Transponeer je de gedachte naar 'plaats', zouden Nederland en Engeland niet bestaan als je op een bootje op de Noordzee zit. Dat is dus onzin. Geheugen en verbeelding worden hier ten onrechte gediskwalificeerd als manier om de werkelijkheid te ervaren.

maandag 19 juni 2023

Notitie #461

In haar Herinneringen aan Anne Frank beschrijft Miep Gies dat ze jarenlang heeft geweigerd het dagboek van Anne Frank te lezen. Toen ze het uiteindelijk toch deed, was ze daar erg gelukkig mee: Anne's stem rolde van de bladzijden af, vol leven, vol nieuwsgierigheid, met al haar stemmingen en gevoelens. Ze was niet langer dood, maar in mij tot leven gekomen.. 

Dat is mooi gezegd: in mij tot leven gekomen. Het is natuurlijk een open deur, dat iemand in de herinnering, of in het hart voortleeft, terwijl die iemand fysiek niet minder dood is. Het is dan ook in letterlijke zin geen 'leven', dat de stem van Anne Frank teweegbrengt, maar eerder een 'aanwezigheid'. Een aanwezigheid in andere mensen. Dat is overigens géén 'voortleven in de herinnering', want vrijwel alle lezers van het dagboek hebben Anne Frank nooit persoonlijk gekend. Het is een 'zijn' zonder lichaam, een 'zijn' dat alleen in andere 'zijnden' kan bestaan. Een stem.

Daarom slaat Annie Romein-Verschoor de plank mis, in de inleiding bij de eerste druk, als ze het dagboek 'on-literair' noemt, en: 'niet het werk van een groot schrijfster'. Ze bedoelt te zeggen dat het werk niet geposeerd is, niet geconstrueerd, waarna ze de directheid en onbevangenheid van het geschrevene roemt. Maar dat zijn bij uitstek literaire kwaliteiten, veel méér dan stillistische virtuositeit en/of het vermogen een verhaal te construeren.

Tenslotte noemt ze het ontroerende aan dit dagboek hoe die kleine dappere geranium daar heeft staan bloeien en bloeien achter de geblindeerde ramen van het achterhuis. Daar wil ik niets aan afdoen. Van mij had Romein-Verschoor wel wat meer het schandaal mogen benaderukken, dat die onschuldige, 'dappere geranium' op een verschrikkelijke manier heeft moeten omkomen. Die nadruk was in 1947 misschien niet zo nodig, anno 2023 mag de horror van de Holocaust wel wat minder subtiel onder de aandacht worden gebracht.

woensdag 19 april 2023

Notities #459-460

459) In mijn recensie over De witte zon van de dood van Claude van de Berge voor Poëziekrant schrijf ik dat de dichter zich met verve de rol van orakel aanmeet. Nee, doe ik daarna alsof ik me bedenk: hij is het. Ik hang eigenlijk nog steeds tussen de bewering en de bedenking. Want: is Van de Berge een orakel, ja of nee? Nee, zou ik zeggen: als hij bij de bakker een krentenbolletje koopt, is hij geen orakel. Maar ik weet ook: ja, als hij gedichten schrijft, is hij wel degelijk een orakel. Hij is in taal, zijn taal, een orakel - en niet als persoon.

Over dat onderscheid valt veel te zeggen, en ook over de vraag: wat betekent dat, een orakel zijn? Het mooie aan De witte zon van de dood is dat de dichter consequent heel brede begrippen en concepten inzet: vlakte, weemoed, schaduw, zon, dood, etc.: ‘de isheid is’. Het zijn bijna gemeenplaatsen, maar hij zet ze zodanig in dat ze betekenisvol worden. Het narratief over het leven versus het individuele leven is ook bijna een gemeenplaats, maar ook hier weer zo overtuigend gebracht, dat het, naast dat narratief, een diepe waarheid verkondigt. En die waarheid wordt niet uitgesproken. Eigenlijk is niet Van de Berge het orakel, maar zijn poëzie..

460) 'The House Gone', het eerste deel van The Speak Angel Series van Alice Notley, is een eindeloze reeks indrukken, observaties, taalmomenten, verhalen en klanken, zonder directe samenhang. Ik ben geneigd om in de geest van Yra van Dijk te zeggen: de poëzie vertegenwoordigt een stilte. Maar dat klopt niet, of hooguit gedeeltelijk. Het is een soort lucide niet-weten. Een aanwezig niet-zijn. In die zin lijkt het op de (verwarde) geestesgesteldheid, de (diffuse) waarneming en het (onmachtige) taalvermogen van wie dementeert. En ja: het is een engelentaal.

vrijdag 7 april 2023

Notitie #458

 

Mooi liedje, waarin de vrouw om haar vrouwelijkheid wordt bezongen. Maar wat zegt Billy Joel daar precies over? Hij gebruikt in dit liedje veel typeringen van de 'she'. De 'she' is onafhankelijk, onaantastbaar zelfs, en niet per se aardig voor de 'you'. Integendeel: 'she can carelessly cut you and laugh while you're bleeding'. Maar, wat ze ook doet, 'she's always a woman to me'. 

Al slaat dat 'but' volgens mij steeds alléén op het eerste deel van de zin: 'she hides like a child', en: 'she steals like a thief' - but she's always a woman to me. De overige in het liedje beschreven eigenschappen behoren kennelijk tot haar vrouwelijkheid. Haar minder prettige eigenschappen zijn dan wellicht te vergeven, misschien juist wel te waarderen (want spannend), omdat ze vrouw is. 

Of ontkent Billy Joel haar vrouwelijkheid met deze eigenschappen? Zegt hij: eigenlijk is ze helemaal niet zo wreed en onafhankelijk, ze is een vrouw (dus: lief en afhankelijk)? Of wordt met vrouwelijkheid het seksuele bedoeld, het hele erotische scala, dat ervoor zorgt dat al het andere voor lief wordt genomen?

Misschien zegt hij niet zo veel over vrouwelijkheid in het algemeen, behalve dat dat iets is waar hij als hetero man van houdt. Misschien hanteert hij haar vrouwelijkheid als een bekend verondersteld gegeven en wil hij weinig anders zeggen dan dat hij verliefd op haar is, wat ze ook doet. De toevoeging 'to me' is relevant, daarmee creëert de zanger een aparte ruimte voor hemzelf en 'she'. Daarmee transponeert hij het concept 'vrouw' naar iets individueels.

zaterdag 25 februari 2023

Nottities #456-457

 456) Volgens de katholieke doctrine, lees ik in Harold Blooms Omens of the Millenium, hoefde God niet te scheppen, maar deed hij dat vanuit Zijn goedheid. Het bestaan is volgens die opvatting dus in de kern 'goed', of in ieder geval: beter dan het niet-bestaan. Dat klinkt hopeloos optimistisch, zeker als je bedenkt dat de katholieke doctrine is ontwikkeld en opkwam in een tijd waarin het bestaan in vrijwel alle opzichten veel zwaarder was. Dat optimisme is waarschijnlijk precies de kracht ervan.

457) John Lennon schijnt eens gezegd te hebben niet bang te zijn voor de dood, omdat hij er niet in geloofde: 'It's like getting from one car into another'. Ik vraag me af of hij er nu nog steeds zo over denkt. Ook als je van de ene auto in de andere auto stapt, wil je wel graag dat je geliefden meegaan. En de vraag blijft tnatuurlijk: waar rijdt die auto naartoe?

woensdag 28 december 2022

Notitie #455

Gerbrandy haalt in zijn De jacht op het sublieme Wittgenstein aan in de bewering dat al dat is in taal uitgedrukt kan worden, Het 'sublieme' is dan hetgeen buiten de taal ligt: dat is dus het deel van het zijnde dat niet in taal uitgedrukt kan worden. Het belang van kunst is dan, volgens Gebrandy (met Lyotard), dat het wil 'laten zien, horen en voelen  hoe de wereld écht is, dat Andere dat overwoekerd is geraakt door onderdrukkende denkkaders, en dat fundamenteel onrepresenteerbaar is'.

Er is dus een wereld achter 'de wereld', en dat is (aldus, volgens mij, Gerbrandy) de échte , sublieme wereld. Die is 'fundamenteel onrepresenteerbaar', niet alleen (zegt hij volgens mij) omdat we daar de middelen toe ontberen, maar ook omdat onze waarneming daar niet op is ingesteld (dus: al zouden we erin slagen het Andere te verwoorden, dan zouden we het niet herkennen).  

Op zichzelf een waarheid als een koe. Maar ik vind dat niet zo ineressant. In plaats van 'de wereld', bijvoorbeeld, zou ik het zelf eerder over iets als 'het leven' hebben, als overkoepelend begrip: in zichzelf een onkenbaar en niet uit te drukken fenomeen. Kunst wil in mijn definitie niet zozeer iets laten zien, horen of voelen, maar (stokpaardjes alert) iets zijn. D.w.z., het wil deel uitmaken van het zijnde. Taal fungeert in deze situatie niet zozeer als het instrument waarmee de dichter iets uitdrukt, het belichaamt het uitgedrukte (vergelijkbaar met muziek). Hetgeen niet kan worden uitgedrukt bevindt zich dan in de taal.