Posts tonen met het label hans faverey. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hans faverey. Alle posts tonen

woensdag 17 april 2024

Notitie #464

In zijn analyse van de poëzie van Faverey (in Verschuivingen, verdichtingen) merkt Maarten van Buuren op dat er een ‘onteigening van het ik’ plaatsvindt. De mens heeft geen zeggenschap over de meest beslissende momenten van zijn bestaan, met name geboorte en dood: We zeggen wel ‘ik sterf’, maar in feite zou het juister zijn om te zeggen ‘ik word gestorven’. Faverey trekt deze lijn door naar het hele bestaan, veelal door de inzet van het woordje zich: Ik deed zoals het zich gedaan wilde zijn.

 ‘Zich’, betoogt Van Buuren, is te zien als het Es van Freud: ‘Zich’ verwijst naar een ‘het’ dat een handeling uitvoert waarvan het zelf het object vormt. Dat ‘het’ komt dus in de plaats van het ‘ik’. Maar wat is dat ‘het’ dan, en wat wil ‘het’? Van Buuren gaat in op Freuds concept van ‘een zich verorberend ‘ik’’: men maakt zich de buitenwereld eigen door het ‘op te eten’ en eventueel ‘uit te spugen’ (introjectie en projectie). Zo geformuleerd lijkt dat antwoord een beetje onbevredigend, omdat het ‘het’ en het bestaan op deze manier naar elkaar blijven verwijzen: 'het' bestaat uit alles, en is zelf niets.

Faverey, betoogt Van Buuren, betrok dat op de taal, een representatie van het Es, het 'het': hij probeerde via paradox, tautologie en woordspel ‘zand in de taal’ te strooien, het verband tussen taal en buitenwereld uit te schakelen, haar communicatie-functie onklaar te maken. Daarmee sloot de taal zich van de buitenwereld af en keerde het zich volledig in zichzelf: Zijn poëtische paradoxen treffen de taal en daarmee ook zichzelf, schrijft Van Buuren. [H]et zijn kamikazefiguren die tegelijk met hun doelwit ook zichzelf opblazen.

maandag 6 augustus 2018

Notitie #320-323

320) Als wat ik in Notitie #318 schreef klopt ('Een kunstenaar stelt aanwezig, maar is het zelf niet'), is de consequentie voor de poëzie dat deze in een 'onpersoonlijke' taal wordt geschreven: er is (noodzakelijkerwijs) wel een stem, maar deze is niet te herleiden naar een spreker. Zoals de schilder zich (meestal) in het niet afgebeelde gebied van het schilderij bevindt. 

Ik stel me daar zoiets als de taal van Faverey bij voor (al zou je net zo goed kunnen betogen dat hij juist een hyperpersoonlijk soort poëzie schreef), of 'robottaal', wetenschappelijke taal, journalistieke taal... 

321) Maar ligt het niet genuanceerder? Want het klopt dus niet dat de kunstenaar niet aanwezig is: zijn blik is in het kunstwerk alomtegenwoordig. Dus: 'De kunstenaar stelt aanwezig - en in dezelfde beweging (buiten beeld) zichzelf'?  

Als je uitgaat van de dichters die Yra van Dijk in haar Leegte, leegte die ademt bespreekt (ik denk dat ik in die traditie schrijf), dichters die naar een leegte toe schrijven, zou de formule zelfs moeten luiden: 'Een kunstenaar stelt afwezig - en in dezelfde beweging (buiten beeld) zichzelf'. Waarbij ik moet aantekenen dat ik hier een tegengesteld 'afwezig' bedoel dan de toestand vóór het schrijven/scheppen, ik zou zeggen: een 'bezield' soort afwezigheid.

322) Welke consequenties heeft dit voor de taal? In ieder geval, dat kan niet anders, moet het onpersoonlijke 'niets' worden voorafgegaan door het persoonlijke 'iets'. Al het andere is een doen alsof, een anticiperen op een resultaat dat nog niet is bereikt. 

323) De hyperpersoonlijke taal van Gorters Verzen evolueerde binnen een jaar in het hyper-onpersoonlijke 'Een seizoen in een dag'.  Bij hem was dat een doodlopende weg. Zonder de 'bezieldheid' van het 'niets' is het dus gewoon niets. Dus uiteindelijk gaat het toch weer om een 'aanwezig stellen'. Het, zo je wil, laten ademen van de leegte.

woensdag 10 augustus 2016

Notities #236-237

236) In zijn Wit licht laat Jaap Goedegebuure zien dat de theoretische basis van waaruit Paul van Ostaijen en Hans Faverey hun gedichten schreven dezelfde is. Het ging beiden om de ‘sonoriteit’ van de taal, waarin kort gezegd klank en betekenis op een magische manier samenvallen. In vergelijking met Faverey komt Van Ostaijen me echter veel uitbundiger voor, hartstochtelijker – gewelddadiger ook, waar Faverey meer contemplatief, meditatief is (hoewel Goedegebuure ook prachtige, wanhopige regels van Faverey citeert). Ik waardeer beide dichters maar heb merk ik een voorkeur voor Van Ostaijen. Het is uiteindelijk de passie die de taal levend maakt.

237) De moord die aan het slot van de tweede novelle in Patrick Modiano’s Onbekende vrouwen wordt gepleegd, wordt door de lezer met gejuich ontvangen. Dat is een gevolg van de compositie: het slachtoffer van de moord wordt in het verhaal enkel negatief beschreven en staat ten tijde van de moord bovendien op het punt de dader te misbruiken (nadat hij haar al op een vernederende manier heeft behandeld). Of Modiano doelbewust een gevoel van genoegen bij de moord teweeg heeft willen brengen weet ik niet; zelf vind ik dat gevoel bij nader inzien erg ongemakkelijk. Een moord uit zelfverdediging is tragisch; een moord uit vergelding is onrechtmatig. Maar dat is een rationalisatie, kennelijk, mijn instinct zegt: ‘Geen genade’.

zaterdag 15 december 2012

Notitie #39

Ik loop een beetje achter in de poëziekalender van Komrij. Deze week las ik het betoog dat achter een gedicht van Faverey staat, 19 oktober 2012. Hij keert zich erin tegen een manier van lezen waarin gedichten ‘spontaan [worden] begrepen als dingen om te bestuderen, om te ontleden en te analyseren. Poëzie als academische discipline.’  Op zichzelf een sympathiek pleidooi, waarin hij de ervaring van het gedicht boven de analyse ervan stelt. Maar poëzie blijft een kwestie van lezen, en nadenken over hetgeen er staat. Als je dat achterwege laat, kom je uit op loze kreten en armzalige oordelen, zoals ik laatst Bouke Vlierhuis die zag formuleren in zijn bespreking van de bundel van Andy Fierens: ‘Drank, testosteron, gebral. Heerlijk.’

J. wees me laatst op de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky en een artikel dat ze publiceerde: ‘Scientist or Mystic’. Haar betoog is vergelijkbaar met dat van Komrij, maar ze gaat een stap verder. Een wetenschapper houdt zich aan de regels [van de grammatica] en hoewel hij weet dat het interessanter is daarbuiten te opereren zal hij  in de praktijk binnen die regels blijven opereren. De mysticus voert die ‘onthechting‘ verder, stelt Lasky, het ‘ik’ van de dichter is alles wat de dichter niet is.

Komrij en Lasky betrekken allebei een stelling tegen de wetenschappelijke benadering van de poëzie, en vóór de ‘dichterlijke’. Hoewel zijn positie me sympathiek is, ben ik niet erg geneigd Komrij bij te vallen, misschien omdat ik zelf academicus ben en de waarde van het academisch lezen van poëzie aan den lijve heb ondervonden - en ook staat de negatief geladen, wat karikaturale weergave van de discussie me tegen. Aan het betoog van Lasky bevalt me met name het niet aangegeven verband tussen de zinnen. Ik merkte aan de moeite die ik had haar betoog samen te vatten dat ze in haar zinnen van steen naar steen springt, in plaats van ze op elkaar te stapelen. Dit onderstreept haar betoog en neemt me direct voor haar positie in.