Posts tonen met het label ilja leonard pfeijffer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ilja leonard pfeijffer. Alle posts tonen

zaterdag 29 augustus 2020

Notitie #395

N.a.v. een interviewfragment over Lucebert herhaalde Ilja Leonard Pfeijffer tijdens Zomergasten zijn opmerking dat er, na de onthulling dat Lucebert in zijn jonge jaren aanhanger van de nazi's was, geen letter aan het oeuvre is veranderd, want: 'het werk staat los van zijn maker' (ik schreef er in notitie #303 over). 

Pfeijffer lijkt een gedicht als mechaniek te zien, waar de maker, als het eenmaal af is, niets meer mee te maken heeft. Over inspiratie vertelde hij dat Lucebert veel tijd en energie stak in het 'afstemmen op de juiste frequentie', iets dat kan aanvoelen als iets externs. Maar dat is het volgens Pfeijffer niet, want hij gelooft niet in iets externs (hoewel we het volgens hem wel nodig hebben om te geloven).

Daarmee ging hij voorbij aan het gegeven dat Lucebert zijn gedichten in het getoonde fragment (na een lange aanloop en met veel moeite) 'bekentenissen' noemde; iets dus dat bij uitstek heel persoonlijk is (dus: verbonden met de persoon). Hij ging bovendien voorbij aan zijn eigen verhaal over hoe hij de poëzie van Lucebert ontdekte, hij ervoer die ontdekking als een bevrijding. De ontdekking van een dichter is altijd óók de ontdekking van een persoon: een zienswijze, of, als je het (als Pfeijffer) technisch wil duiden, op zijn minst een werkwijze (die voortkomt uit een zienswijze). 

En de opmerking dat 'ook een klootzak mooie gedichten kan maken' is veelzeggend. Dat is namelijk alléén op technisch gebied waar. Maar een goed gedicht is zoveel méér dan techniek, het is een wereld. Het is een uitdrukking van het mens-zijn. En iemand die (in mijn optiek) faalt in het mens-zijn, kan me daar ook niets waardevols over zeggen.

Een gedicht kan kortom niet los van de maker staan, want het drukt het diepste wezen van de maker uit. Lucebert impliceerde dat in het getoonde fragment zelf ook. Het werk kan alléén los van de maker staan, als de dichter daadwerkelijk het doorgeefluik is van iets externs, maar juist daar gelooft Pfeijffer niet in. Terwijl je niet eens in iets bovennatuurlijks hoeft te geloven, om die stelling aan te hangen. De buitenwereld is ook 'iets externs'.

maandag 12 februari 2018

Notities #301-303

301) De gedichten van Marije Langelaar doen in Vonkt hun uiterste best om licht te zijn. De humor en het bij vlagen kinderlijke surrealisme hebben iets bezwerends. Ik zou bijna denken dat de gedichten hun eigenlijke, volgens mij nogal duistere, aard verbergen, maar dat klopt natuurlijk niet: de lichtheid toont die aard juist, accentueert het duistere.

302) Precies de gedichten van Menno Wigman die ik altijd een beetje aanstellerig en pedant vond, namelijk die over zijn eigen dood, vind ik, nu hij is overleden, indrukwekkend. Dat is, denk ik, omdat de dood in deze gedichten nu een daadwerkelijke dood is. Bij Wigman was die dood kennelijk al veel concreter dan ik hem opvatte. Ik verdacht hem er altijd van uit een zeker welbehagen te schrijven over zijn eigen dood. Nu is het verleidelijk de gedichten toch vooral te zien als een manier om met zijn angsten om te gaan. Of was het een voorvoelen?

303) 'Er is geen letter aan het oeuvre van Lucebert veranderd', schrijft Ilja Leonard Pfeijffer ongeveer in De Morgen na de onthulling dat Lucebert in zijn jonge jaren nazi-sympathieën koesterde. Het werk, zegt hij, staat los van de maker. Zonder de vorm-of-vent-discussie weer op te willen rakelen, laat de onzin van die eerste stelling goed de onzin van de tweede stelling zien. Een oeuvre dat niet verandert als de maker een sympathisant van de nazi's blijkt te zijn geweest, is een dood oeuvre.

Ik weet nog niet hoe ik een nieuwe positie ten opzichte van dat werk moet bepalen. J. stelt dat de kennis van dit pijnlijke biografische gegeven het oeuvre verdiept. F. is bang dat nu het hele oeuvre, dat veel rijker is dan dat ene onderwerp, door deze nieuwe bril zal worden gelezen. Hij noemt dat een pijnlijk proces, de demythologisering van Lucebert.

Het werk van Lucebert, dat ik letterlijk zie als een streep licht in de Nederlandse poëzie, wortelt dus in een inktzwarte duisternis. Dat kan eigenlijk niet zo verbazingwekkend zijn; toch is het dat wel.