De ouders van Felix Kajuit, in De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts, hebben iets aandoenlijks. Hun tekortkomingen worden met een zekere humor besproken. Daarom lijkt de actie van Kajuit, waar hij een breuk mee forceert, niet helemaal logisch. De actie is op zich relatief onschuldig (Kajuit vernielt een hobby-bouwwerkje waar zijn vader aan werkt), maar in de relatie tussen vader en zoon is het dat allerminst. Is dat gerechtvaardigd?
Humor is de manier waarop Kajuit streeds is omgegaan met de verwaarlozing door zijn ouders. Precies die humor staat hem in de beschrijving van die verwaarlozing in de weg: de humor relativeert de ernst van het beschrevene. Zijn ouders zijn arme sukkelaars, onbeholpen oenen. Weijts laat dat goed zien, en dat is ook waarom het (in ieder geval voor mij) lastig is om ze hun gedrag kwalijk te nemen (en om in te stemmen met Kajuits actie).
Zijn ouders kunnen niet anders: ze zijn wie ze zijn. Dat maakt Kajuits actie machteloos, het is een hulpeloze frustratie. Juist daarin ligt de kracht van de scène. Weijts’ stijl heeft de lichtheid die in het beschrevene ontbreekt. Verzwakt die stijl de ernst? Dat dacht ik in eerste instantie, maar inmiddels denk ik van niet. Weijts beschrijft de scène niet humoristisch, dus wellicht is de ironische stijl vooral mijn eigen perceptie. En je zou met net zo veel recht kunnen zeggen dat die lichtheid, die ironie (die in lijn is met de humor als mechanisme om met de werkelijkheid om te gaan), de ernst juist verdiept.
(En: is het wel zo, dat je de ouders hun gedrag niet kwalijk kan nemen? Is ouders verwijtbaar gedrag, zoals egoïsme en het gebrek aan oprechte aandacht voor hun kinderen, niet kwalijk te nemen (vanwege hun karakter, achtergrond, psychische problematiek e.d.)? Als dat zo is, is voor deze mensen het krijgen van kinderen in zichzelf verwijtbaar: want daar horen nu eenmaal verantwoordelijkheden bij.)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten