vrijdag 27 mei 2016

Notities #226-227

226) Twee erotisch te kwalificeren ervaringen staan aan de basis van de Reves bekering tot het katholicisme, als we zijn Moeder en Zoon (dat ik deze week herlas) mogen geloven. De ontmoeting met Matroosje (‘de Zoon’) en twee erotische dromen over de Maagd Maria (‘de Moeder’). De hele roman schrijft Reve omslachtig om deze ervaringen heen, met onzin en grapjes, en als hij eindelijk de kern raakt, gaat hij er niet echt op door. Dat kan hij niet. Hij stuit daar op de magie van het geloof (en de erotiek), waar zijn hele oeuvre om draait. Zelf wijst hij ook op een aantal psychologische redenen om zich te bekeren (terugkeer naar moeder, aansluiten bij een ‘club’). Die zijn eigenlijk nogal onbeholpen.

227) Joost de Vries noemt in een stuk voor de Groene Amsterdammer Connie Palmens I.M. een kantelpunt in de Nederlandse literatuur, omdat het ‘alle grenzen tussen literatuur en leven [opheft]’. Hoewel hij in zijn inleiding moppert op alle informatie over auteurs die je eigenlijk liever niet weet, lijkt hij I.M. om deze reden te waarderen: ‘Ik kom in literatuur graag andermans waarheden tegen’.

De Vries noemt een aantal schrijvers die Palmen voorgingen in de ‘zelfmythologisering’, maar lijkt zich niet te realiseren dat het fenomeen teruggaat op in ieder geval de ‘vorm-of-vent’-discussie en Du Perrons Het Land van Herkomst. Ik begrijp Palmens noodzaak om een boek als I.M. te  maken, maar het boek is feitelijk de banalisering van de standpunten van Forum

Het is een misverstand dat Palmen in I.M. ‘alle grenzen tussen literatuur en leven [opheft]’. Wat zijn die grenzen dan? Wat is de literatuur van vóór I.M. dan waard, als die kennelijk gescheiden was van het leven? Of bedoelt De Vries met ‘het leven’ de triviale biografische feitjes die auteurs in hun boeken verwerken? 

De literatuur die een vaardig schrijver van die feitjes maakt heeft meer met ‘het leven’ te maken dan die feitjes zelf. Beter gezegd: een vaardig schrijver laat de literatuur in die feitjes zien.

zondag 8 mei 2016

Notitie #225

B. stuurt me als vervolg op een gesprek over ouder wordende sekssymbolen een foto van Madonna (57) in weinig verhullende kleding, en het bijbehorende statement van de zangeres: The fact that people actually believe a woman is not allowed to express her sexuality and be adventurous past a certain age is proof that we still live in an age-ist and sexist society. 

Een van mijn betogen tijdens het gesprek met B. was dat Paul McCartney zichzelf niet toestaat om oud te worden: hij gedraagt zich alsof hij pakweg 35 is, doet zijn best om er ook zo uit te zien, en, het belangrijkst, zijn muziek is ‘avontuurlijk’ zoals het dat was toen hij pakweg 35 was. Van zijn meest recente cd New vind ik de bonus track ‘Scared’ als enige geslaagd: daarop klinkt hij als de oude man die hij is. 

Zo ook Madonna. Volgens mij heeft ze gelijk en is seksualiteit van ouderen (met name vrouwen) inderdaad een taboe. Maar zou ze de jurk ook hebben aangetrokken als haar lichaam meer tekenen van verval had vertoond? Is dit dan niet juist een manier om ‘als jong’ te zijn, waar het échte avontuurlijke waarschijnlijk juist in de ouderdom ligt? Is kortom het probleem niet veel eerder dat de ouderdom zelf niet wordt toegestaan?

donderdag 5 mei 2016

Notitie #224


Blondies ‘Victor’ (Eat to the beat, 1979) klinkt als de verbeelding van een jacht, of een ritueel offer. We horen een primitief mannenkoortje, en daar overheen onsamenhangend geschreeuw van een vrouw (zangeres Deborah Harry). De verstaanbare tekst varieert op ‘Don’t leave me alone’ en ‘I don’t want you to go’. De ‘bridge’ is de brief van ‘Victor’ aan ‘Annett’, of ‘Anastasia’, waarin hij aankondigt de grens te willen passeren om bij haar te zijn. De schreeuwende vrouw is dus niet de aangeschreven vrouw (die wordt immers verlaten) maar de dupe.

Het verzoek, aan het slot, de brief te verbranden is in tegenspraak met het gegeven dat de brief nu gezongen wordt. De brief (inclusief ondertekening ‘Love, Victor’) wordt door een vrouw voorgelezen. Is dat inderdaad de vrouw die wordt verlaten (zoals het clipje laat zien), en die dus bij 'them' hoort? Maar waarom laat hij dan de brief voor haar achter, terwijl die gericht is aan 'Annett/Anastasia'? Of is ‘Victor’ soms een schuilnaam, en zijn Annett en Anastasia dat ook, en is de vrouw die verlaten wordt het uiteindelijke, ultieme doel?

En: welke grens wordt overgegaan? Die tussen twee landen, of die tussen leven en dood?  Dat laatste zou betekenen dat de aangeschreven vrouw (Annett/Anastasia) een dode is, of misschien zelfs een godheid, en dat de liefde van 'Victor' voor deze vrouw (dit denkbeeld?) ten koste gaat van de daadwerkelijke, levende vrouw.

Het geheel wordt, op een bijna komische manier, nogal theatraal gebracht, ‘net alsof’, zeker met de clip erbij. Het is gothic-light. Het liedje lijkt de hervertelling van een sprookje of mythe, maar ik kan het verhaal en de personages niet thuisbrengen. Het lijkt me eerder een ‘quasi-hervertelling’. Bij de clip kun je nog denken dat het komische, theatrale aspect onbedoeld is {de clip is duidelijk low budget gemaakt, en de muzikanten zijn geen acteurs). Maar het (nergens expliciete) ‘tongue in the cheek’ is, vind ik, ook de charme van het liedje. Je zou kunnen stellen dat het duistere onderwerp, de ernst ervan, dit speelse vereist.

zondag 17 april 2016

Notities #221-223

221) Toen ik (op 11 oktober 2015) Vattimo citeerde, realiseerde ik me niet dat hij daarmee verwees naar Nietzsche. Kunst is in het denken van Nietzsche in de kern immoreel. In zijn boek over Nietzsche verwoordt Safranski het kernachtig: “Wie het welzijn van het grootst mogelijke aantal op het oog heeft, denkt moreel; wie het culmineren in geslaagde figuren, de extatische hoogtepunten als de zin van de cultuur opvat, denkt esthetisch. Nietzsche kiest voor de esthetische denkwijze.” Hij deed dit volgens Safranski overigens met het nodige plichtsbesef ten opzichte van de ‘arme massa’: kunst bestaat ten koste van hen.

Het standpunt van Nietzsche (voor het eerst geformuleerd in 1872) lijkt me gedateerd, omdat het uitgaat van een elitair type kunst, gemaakt door een elitair type kunstenaar. De gedachte gaat bovendien uit van de opvatting dat kunst een vorm van luxe is, wat ik niet geloof. En ik denk dat de esthetiek van kunst in hoge mate een morele (opvoedkundige, meningvormende) waarde heeft. Dit alles neemt niet weg dat de moraliteit van kunst een andere is dan de maatschappelijke moraal. Precies dat lijkt me ook in het belang van het ‘welzijn van het grootst mogelijke aantal’. De tegenstelling ‘moraal-esthetiek’ lijkt me kortom een schijntegenstelling.

Ik vatte de term ‘esthetiek’ in het citaat van Vattimo op als ‘het hogere’, kunst (esthetiek) als middel om tot het leven (het goddelijke) te komen. Dat is iets anders dan wat Nietzsche bedoelde, al is geloof ik niet een van beide standpunten ‘onjuist’.

222) De vier televisiefilms van Cagney and Lacey, die halverwege jaren negentig als een soort epiloog op de serie volgden (The Menopause Years) zijn teleurstellend, en dat is kennelijk precies de bedoeling. De verhaallijnen en verhoudingen tussen de verschillende karakters hebben zich in de tussenliggende jaren anders ontwikkeld dan gehoopt, en dan was te verwachten. Zodanig zelfs dat actrice Sharon Gless naar eigen zeggen in de war raakte: ‘I didn’t know who Christine Cagney was anymore’.

Het is een gewaagde insteek omdat het de ‘romantiek’ van de oorspronkelijke serie (o.a. de vriendschap tussen beide vrouwen) enigszins teniet doet, ook al omdat de ‘menopause’-afleveringen daar niet echt een alternatief voor bieden. Tegelijk is precies dat het mooie aan die afleveringen, omdat het (als de hele serie) een echte vriendschap laat zien, met hoogte- maar zeker ook dieptepunten.

223) Bij het lezen van de boeken van Agamben krijg ik voortdurend het idee dat de (westerse) cultuur zich steeds verder van haar basis af beweegt. Zijn uiteenzettingen aan de hand van o.a. etymologie en klassieke mythen impliceren dat de betekenissen algemeen bekend zijn geweest maar in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan. De ontwikkeling van de cultuur is feitelijk haar degeneratie. Het impliceert ook dat we, als we de lijnen terug maar ver genoeg doortrekken, uiteindelijk bij de kern (van god, het mens-zijn) aankomen – ware het niet, dat die kern steeds leeg blijkt te zijn.

donderdag 14 april 2016

Citaat 14 april 2016

De liefde hoopt, omdat zij zich een voorstelling maakt en zij stelt zich iets voor omdat zij hoopt. Wat hoopt zij? In vervulling te gaan? Niet echt, want het is juist de hoop en de fantasie eigen om zich aan iets onvervulbaars te binden. Niet omdat zij dat object niet graag zouden willen bezitten, maar omdat hun verlangen door dat voorstellen en die hoop al voortdurend in vervulling is gegaan. Dat wij, in de woorden van de apostel, 'in de hoop zijn gered' (Romeinen 8,24) is daarom tegelijk wel en niet waar. Als het object van de hoop onvervulbaar is, dan hebben wij alleen op redding gehoopt omdat wij niet meer te redden zijn - want we zijn al gered. Net zoals de hoop uitstijgt boven haar vervulling, zo gaat zij ook de redding voorbij - met liefde.

- Giorgio Agamben (1942)
Uit: Avontuur (2015), vert. Willy Hemelrijk

zondag 3 april 2016

Notitie #220

Voor het punt dat Christiaan Weijts in de column ‘De islam, de paashaas en tietjes’ (NRC, 17 maart 2016) wil maken, kan hij niet te duidelijk partij kiezen voor een 'links' of 'rechts' standpunt. Dat zou hem onderdeel maken van het 'probleem' dat hij bespreekt. Hij neemt daarom geen expliciet standpunt in, behalve dan het pleidooi voor 'spontaniteit' en 'vrolijke creativiteit'.

Ik snap die noodzaak, en ook dat het niet aan de columnist is om genuanceerd te zijn. Toch is dat problematisch. Het gevolg is namelijk dat Weijts zaken op één hoop gooit die niet op dezelfde hoop horen. Dus bijvoorbeeld het (bewust) verkeerd lezen van de Hema-folder door rechts-populisten en het tellen van het aantal recensies over vrouwelijke auteurs door de Lezeres des Vaderlands.

In bijvoorbeeld de discussies rond seksisme en racisme richt hij zich tegen de standpunten die in deze discussies worden ingenomen - niet om de standpunten zelf, maar, als ik het goed begrijp, om hun onverdraagzaamheid, hun 'truttigheid'. Zijn pleidooi voor 'vrolijke creativiteit' mondt uit in een verdediging van politieke incorrectheid.

Dat kan, als de analyse voldoende scherp is en het punt van de column de moeite waard. Geen van beide is het geval.

Hij signaleert in de column een symptoom ('vertrutting', uit angst voor een digitale lynchpartij) maar niet het fenomeen zelf (het schuiven van de machtsverhoudingen waardoor stereotypen ter discussie worden gesteld; dat proces valt samen met een verruwing van de omgangsvormen). Zijn betoog voor 'spontaniteit' en 'vrolijke creativiteit' lijkt me vooral een literair betoog. In de maatschappelijke discussies is er geen gebrek aan spontaniteit en vrije expressie, integendeel.

De kracht van taal is dat zij werkelijkheid maakt of vernietigt. Een betoog voor een vrije en speelse omgang met taal is sympathiek, maar in de context van de besproken onderwerpen niet juist.

vrijdag 18 maart 2016

Notities #218-219



218) Julika Rudelius maakt ‘antropologische kunst’. Daarmee wordt bedoeld dat ze bepaalde culturen laat zien zonder daar expliciet een mening bij te geven. Dat levert mooi werk op. Zo biedt het videowerk ‘Economisch primaat’ (2005, niet lang voor de Kredietcrisis dus) een mooi tijdsbeeld. Toch vind ik hier dat 'antropologische' problematisch.

Het toont een vijftal miljonairs dat via een handsfree telefoon wordt geïnterviewd. De vragen (van Rudelius) zijn onhoorbaar, maar uit de antwoorden blijkt dat het vragen zijn naar geld en rijkdom, en naar de zwakkeren in de samenleving. Ze zeggen allemaal, op meer of minder subtiele manier, dat wie niet werkt eigenlijk geen geld verdient, en dat het ook voor de zwakkeren goed is om te werken omdat ze daardoor worden uitgedaagd.

Dat is een verkapt compliment aan zichzelf (de rijken verdienen het zo rijk te zijn omdat ze goed zijn in wat ze doen) en getuigt van een vervormd wereldbeeld, waarin succes en rijkdom is weggelegd voor iedereen die er zijn best voor doet.

Het probleem van een dergelijke, ‘antropologische’, kunst is dat de positie van de kunstenaar alleen zichtbaar is voor wie die wil zien. De standpunten van de geïnterviewde zakenmannen worden veel helderder voor het voetlicht gebracht en wie al volgens deze denktrant denkt wordt niet tegengesproken. Het is op deze manier een preek voor eigen parochie. 

219) De documentaire The devil and Daniel Johnston begint met het beeld van Johnston die zichzelf filmt en zich aan de kijker voorstelt als 'de geest van Daniel Johnston': "It is an honour and a privilege to tell you about my condition.. and the other world." Daarna komt een tekstscherm in beeld met een ander citaat van Johnston: "I believe in God, and I certainly believe in the Devil. There's certainly a devil, and he knows my name."

Merkwaardig genoeg komt de duivel in de rest van de documentaire maar sporadisch ter sprake. Het is vooral het gedetailleerde verslag van Johnstons geestesziekte. Johnston is zelf degene die wijst op zijn gevecht tegen Satan, en dat hij gelooft dat hij zijn ziel aan de duivel heeft verkocht in ruil voor roem.

In de documentaire wordt een mythe geconstrueerd. Zijn 'gekte' wordt in verband gebracht met zijn 'genialiteit' (hij wordt, nogal hyperbolisch, een belangrijker en genialer muzikant gevonden dan Brian Wilson en Bob Dylan). Zijn opmerkingen over de duivel worden, lijkt het, minder serieus genomen. Ze worden voortdurend in de context van zijn geestesziekte geplaatst. Daarmee is Satan de lege plek in deze documentaire: schijnbaar afwezig en ongrijpbaar.