70) De mix tussen klassieke beelden en moderne thematiek heeft bij kunstenares Femmy Otten een bijzonder direct effect. Als het niet zo speels was, zou het agressief zijn.
71) De letterlijke weergave van nieuwsberichten, zoals Kenneth Goldsmith doet in Seven deaths and disasters laat de fictie van de nieuwsfeiten zien. Ik heb tot nu alleen nog het gedeelte over John Lennon gelezen, daarbij valt op hoe de diverse verslaggevers al op de fatale avond in bijna dezelfde bewoordingen vrijwel dezelfde bijzonderheden beschrijven (zo merkt bijna iedereen bijvoorbeeld op dat de titel van Lennons laatste single ‘Just Like Starting Over’ ironisch is). Dat betekent dus dat de verslaggevers elkaar napraten. En dat betekent weer dat de gebeurtenissen al direct mythe zijn geworden.
72) Op haar nieuwe cd Once I was an Eagle zingt Laura Marling veel over de duivel - voor zover ik nu kan beoordelen sluit deze duivel naadloos aan bij de traditie. De duivel is niet de verpersoonlijking van het kwaad, hij heeft vaak ook iets koddigs, heb ik het idee - zo zet C.S. Lewis hem ook in, in zijn The Screwtape Letters, en Goethe in zijn Faust -; de duivel blijft een instrument van God. Dat heeft iets geruststellends: het kwaad is niet ongebreideld. Het echte 'kwaad' weet niet dat het dat is. Ofwel het denkt dat het het 'goede' is, of het 'goede' is geheel afwezig.
zondag 30 juni 2013
maandag 24 juni 2013
Notitie #69
Dikwijls zou ik in een bewonderaar met geweld een vriend willen zien, alleen om mijn ijdelheid te bevredigen en mijn schrijverseer de vernedering der stupide adoratie te besparen; maar het gelukt mij steeds minder, omdat het genoegen van het acteren voor een publiek mij steeds meer gaat ontbreken. En daar ik niettemin het genoegen van het publiceren niet verloren heb, blijft mij geen andere conclusie over dan deze: ik publiceer voor vrienden, die argumenten en nuances delen, ik zoek mijn publiek overal en nergens… ik zoek misschien het zonderlingste publiek, dat denkbaar is, omdat ik mij de mogelijkheid van het vinden niet eens kan voorstellen. Want al zoekend verlies ik meer vrienden dan ik er vind; maar al verliezend geloof ik steeds overtuigder in de waarde der vriendschap en derhalve ook in die van haar noodzakelijk complement, de vijandschap.
- Menno ter Braak (1902-1940)
Uit: Politicus zonder partij (1933)
Verbazingwekkend hoe zwart-wit een lenig denker als Menno ter Braak af en toe kon formuleren. Bovenstaand fragment is, lijkt me, een kernfragment uit het werk van Ter Braak, zelfs van heel Forum. Daarom is het merkwaardig dat hij de ‘waarde der vriendschap’ niet verder toelicht. Het denken in vriend of vijand hoort bij Ter Braaks geloof in de polemiek; ik betoogde hier al dat hij daar aan het eind van zijn leven op terug is gekomen. Het is intens jammer dat hij die gedachtegang verder niet meer heeft uitgewerkt en uitgedragen.
Ik ben het in zoverre met Ter Braak eens, dat ook ik vind dat het contact tussen de schrijver en zijn lezer dikwijls een heel persoonlijk contact is. Dat vijandschap het noodzakelijk complement is van vriendschap klinkt in theorie aannemelijk. Maar hoe werkt dat in de praktijk? Het is hetzelfde als ‘het kwaad’ als het complement van ‘het goede’: het zijn allebei ficties.
Het gedachtegoed van Forum is in de decennia die erop volgden nogal karikaturaal, om niet te zeggen: geperverteerd in de praktijk gebracht. Een fragment als bovenstaand maakt duidelijk dat Ter Braak daar zelf ook aanleiding toe gaf - en daarmee is zijn invloed op de naoorlogse literatuur soms ook een beetje twijfelachtig te noemen.
- Menno ter Braak (1902-1940)
Uit: Politicus zonder partij (1933)
Verbazingwekkend hoe zwart-wit een lenig denker als Menno ter Braak af en toe kon formuleren. Bovenstaand fragment is, lijkt me, een kernfragment uit het werk van Ter Braak, zelfs van heel Forum. Daarom is het merkwaardig dat hij de ‘waarde der vriendschap’ niet verder toelicht. Het denken in vriend of vijand hoort bij Ter Braaks geloof in de polemiek; ik betoogde hier al dat hij daar aan het eind van zijn leven op terug is gekomen. Het is intens jammer dat hij die gedachtegang verder niet meer heeft uitgewerkt en uitgedragen.
Ik ben het in zoverre met Ter Braak eens, dat ook ik vind dat het contact tussen de schrijver en zijn lezer dikwijls een heel persoonlijk contact is. Dat vijandschap het noodzakelijk complement is van vriendschap klinkt in theorie aannemelijk. Maar hoe werkt dat in de praktijk? Het is hetzelfde als ‘het kwaad’ als het complement van ‘het goede’: het zijn allebei ficties.
Het gedachtegoed van Forum is in de decennia die erop volgden nogal karikaturaal, om niet te zeggen: geperverteerd in de praktijk gebracht. Een fragment als bovenstaand maakt duidelijk dat Ter Braak daar zelf ook aanleiding toe gaf - en daarmee is zijn invloed op de naoorlogse literatuur soms ook een beetje twijfelachtig te noemen.
zaterdag 8 juni 2013
Notitie #68
In het ‘Besluit’ van zijn indrukwekkende studie Vier ongemakkelijke filosofen komt Ger Groot in dezelfde spagaat terecht als waar ik in terecht kwam tijdens het bestuderen van Aleister Crowley ('The Beast 666') en Georges Bataille (‘de filosoof van het kwaad’).
Het ongemak bestaat eruit dat de betreffende filosofieën taboedoorbrekend zijn, maar dat ze geen praktische uitwerking kunnen hebben omdat je dan te maken krijgt met allerlei vormen van (seksueel) geweld. Tegelijk is geweld als gedachte-experiment tandeloos:
“Vooral bij [Derrida] is het geweld wijsgerig geworden: een attribuut van het denken dat, hoe ontregelend het daarbinnen ook mag zijn, de ruimte van de ratio niet meer verlaat. Het is getemd, omdat het een gedachtenprobleem is geworden […]. “(Vier ongemakkelijke filosofen, p. 505).
Groot concludeert dat het de rol van de filosofie is deze duistere kant van de mens aan te wijzen:
“In het verborgene huist het niet-opbiechtbare, dat we zelfs in de beslotenheid van het zelfonderzoek slechts met schaamte onder ogen zien. Toch vormt het […] een ‘graniet van geestelijk fatum’ waarvan we moeten erkennen: ‘dat ben ik’ […].” (p. 510)
Wie het denken aanvaardt als het domein waarin alles kan, aanvaardt ook de mogelijkheid dat dit denken gevolgen heeft voor de fysieke realiteit. Het is dus net zo goed een probleem dat het denken het denken blijft, en zich dus niet voortzet in de realiteit, als dat het een probleem is dat het denken zich kan voortzetten in de realiteit.
(Overigens, het geweld van bijvoorbeeld Bataille werd, en wordt, in de praktijk zeer veel toegepast (zónder de theorie); het is dus misschien eerder een praktische werkelijkheid die wordt getheoretiseerd dan andersom.)
Groot begint zijn studie met de signalering dat Nietzsche zijn filosofie ontwikkelde door zich af te keren van het christendom, dat in zijn optiek ‘levensvijandig’ was omdat het zich richtte op de ziel en het hiernamaals. Nietzsche ontwikkelde een filosofie die is gericht op de fysieke realiteit en het nu. De ironie wil dat die filosofie kennelijk uitmondt in de dood.
Het ongemak bestaat eruit dat de betreffende filosofieën taboedoorbrekend zijn, maar dat ze geen praktische uitwerking kunnen hebben omdat je dan te maken krijgt met allerlei vormen van (seksueel) geweld. Tegelijk is geweld als gedachte-experiment tandeloos:
“Vooral bij [Derrida] is het geweld wijsgerig geworden: een attribuut van het denken dat, hoe ontregelend het daarbinnen ook mag zijn, de ruimte van de ratio niet meer verlaat. Het is getemd, omdat het een gedachtenprobleem is geworden […]. “(Vier ongemakkelijke filosofen, p. 505).
Groot concludeert dat het de rol van de filosofie is deze duistere kant van de mens aan te wijzen:
“In het verborgene huist het niet-opbiechtbare, dat we zelfs in de beslotenheid van het zelfonderzoek slechts met schaamte onder ogen zien. Toch vormt het […] een ‘graniet van geestelijk fatum’ waarvan we moeten erkennen: ‘dat ben ik’ […].” (p. 510)
Wie het denken aanvaardt als het domein waarin alles kan, aanvaardt ook de mogelijkheid dat dit denken gevolgen heeft voor de fysieke realiteit. Het is dus net zo goed een probleem dat het denken het denken blijft, en zich dus niet voortzet in de realiteit, als dat het een probleem is dat het denken zich kan voortzetten in de realiteit.
(Overigens, het geweld van bijvoorbeeld Bataille werd, en wordt, in de praktijk zeer veel toegepast (zónder de theorie); het is dus misschien eerder een praktische werkelijkheid die wordt getheoretiseerd dan andersom.)
Groot begint zijn studie met de signalering dat Nietzsche zijn filosofie ontwikkelde door zich af te keren van het christendom, dat in zijn optiek ‘levensvijandig’ was omdat het zich richtte op de ziel en het hiernamaals. Nietzsche ontwikkelde een filosofie die is gericht op de fysieke realiteit en het nu. De ironie wil dat die filosofie kennelijk uitmondt in de dood.
donderdag 16 mei 2013
Notitie #67
Het bestaan van de duivel, betoogt Henri van Praag in Parapsychologie en occultisme (Parapsychologische bibliotheek 7, 1975), is in tegenspraak met de eenheid Gods. Daarom moet satan worden opgevat als deel van de pluraliteit Gods, als personificatie van het ’din’: de beproevende, examinerende kant van God. De mens moet dus beproefd worden, het ‘kwaad’ is een keuze; en omdat het kwaad een reële optie moet zijn, kondigt het zich altijd aan in de vorm van een verleiding. Dit is de gangbare, christelijke lezing en wat mij betreft is de ‘pluraliteit Gods’ een beetje een kunstgreep. Het betekent in ieder geval dat God ook ‘het kwaad’ is.
Léon Chestov concludeerde in L’idée de bien: ‘Het goede […] is niet God.’ Hij zocht God in hetgeen zich boven het goede en het kwade bevindt, het bovenmorele. Georges Bataille maakt, aldus Ger Groot in zijn studie Vier ongemakkelijke filosofen, een andere keuze: “Omdat Bataille de dualiteit van goed en kwaad […] niet wil verdubbelen in een dualiteit van aarde en hemel, rest hem weinig anders dan het heilige met het kwade te identificeren.” (p. 354)
Van Praag valt in zijn definiëring van het kwaad terug op het nazisme als het ultieme kwaad; voor Bataille is het kwaad een mengeling van seks en geweld, die uiteindelijk leidt tot een extase. Het moment van de verleiding lijkt me cruciaal want daarin vormt het ‘goede’ en het ‘kwade’ een (dynamische) eenheid.
Léon Chestov concludeerde in L’idée de bien: ‘Het goede […] is niet God.’ Hij zocht God in hetgeen zich boven het goede en het kwade bevindt, het bovenmorele. Georges Bataille maakt, aldus Ger Groot in zijn studie Vier ongemakkelijke filosofen, een andere keuze: “Omdat Bataille de dualiteit van goed en kwaad […] niet wil verdubbelen in een dualiteit van aarde en hemel, rest hem weinig anders dan het heilige met het kwade te identificeren.” (p. 354)
Van Praag valt in zijn definiëring van het kwaad terug op het nazisme als het ultieme kwaad; voor Bataille is het kwaad een mengeling van seks en geweld, die uiteindelijk leidt tot een extase. Het moment van de verleiding lijkt me cruciaal want daarin vormt het ‘goede’ en het ‘kwade’ een (dynamische) eenheid.
Labels:
duivel,
georges bataille,
ger groot,
henri van praag,
leon chestov
donderdag 2 mei 2013
Notitie #66
Een 'maniak', noemde L. de spreker in een recent gedicht van mij ('ik') laatst. Ik schrok daarvan, trok het me persoonlijk aan, vond dat ze het gedicht niet begreep - maar ik
realiseer me inmiddels dat ze gelijk heeft. Want dat was namelijk gewoon de bedoeling in het gedicht. Kennelijk sta ik me in mijn werk steeds meer toe de 'maniak' aan het woord te laten.
Dat ik in het dagelijks leven een plichtsgetrouw werknemer en een liefhebbende echtgenoot ben (en hooguit in het diepst van mijn gedachten een maniak), heeft daar niets mee te maken. Mijn gedichten gaan niet (primair) over mij. Niet voor niets schreef Jeanette Winterson in Art & Lies: 'There's no such thing as autobiography. There's only art and lies'. De 'maniak' krijgt een stem in mijn gedichten, eenvoudigweg omdat hij er is. Omdat hij te bedenken is. Omdat hij interessant is.
JS gebruikte in een gesprek laatst het woord 'Bildung' om de rol van kunst in de maatschappij mee te omschrijven. Ik geloof daar niet zo in. Als kunst al een maatschappelijke rol vervult, moet vervullen, dan verschilt die per kunstwerk, en per ontvanger van dat kunstwerk - en is het niet aan het kunstwerk, en al helemaal niet aan de maker, om die rol te benoemen.
Dat ik in het dagelijks leven een plichtsgetrouw werknemer en een liefhebbende echtgenoot ben (en hooguit in het diepst van mijn gedachten een maniak), heeft daar niets mee te maken. Mijn gedichten gaan niet (primair) over mij. Niet voor niets schreef Jeanette Winterson in Art & Lies: 'There's no such thing as autobiography. There's only art and lies'. De 'maniak' krijgt een stem in mijn gedichten, eenvoudigweg omdat hij er is. Omdat hij te bedenken is. Omdat hij interessant is.
JS gebruikte in een gesprek laatst het woord 'Bildung' om de rol van kunst in de maatschappij mee te omschrijven. Ik geloof daar niet zo in. Als kunst al een maatschappelijke rol vervult, moet vervullen, dan verschilt die per kunstwerk, en per ontvanger van dat kunstwerk - en is het niet aan het kunstwerk, en al helemaal niet aan de maker, om die rol te benoemen.
zondag 28 april 2013
Notities #61-65
61) De duivel wordt in Mariken van Nimweghen nadrukkelijk ingezet om Gods goedheid te demonstreren. Wanneer Mariken met de duivel meegaat, verandert ze van naam (Mariken, afgeleid van Maria, mag alleen haar eerste letter houden: ‘Emmeke‘), en dus van identiteit. Opvallend is dat de slechtheid van de duivel vooral wordt gedemonstreerd doordat hij de mannen die seksueel geïnteresseerd in zijn Emmeke om te brengen. Feitelijk is de duivel dus de bewaker van haar goede eer!
Ook na de mislukte poging van de duivel om haar nek te breken, blijft ze Emmeken heten. Ze biecht bij de paus dat ze het liefje van de duivel is geweest - wat dat ook in moge houden. En dat is, vermoed ik, haar werkelijke zonde, maar dat wordt dus enkel abstract beschreven.
Mooi in het verhaal vind ik vooral de duivel in mensengedaante. Pas als hij Emmeken hoog de lucht in tilt om haar naar beneden te smijten toont de gravure een echte duivel en heeft hij het ook over het ‘bepissen van zijn staart’.
De machteloosheid van de duivel ook, als gevolg van de kracht van het gebed.
62) ‘I become hole’, schrijft Ann Cotten in haar duizelingwekkende bundel I, Coleoptile. Een kernachtige samenvatting van wat ik al ruim een half jaar probeer te zeggen. Een tikkeltje woordspelerig misschien, maar de betekenissen ‘hole’ en ‘whole’ wegen even zwaar, en dat is precies de spijker op zijn kop.
63) ‘Rebirth: that’s God’s stuff, too’; leuk citaat uit Rushdies The Satanic Verses.
64) In de mooie science fiction film Moon (2009) wordt het thema 'wedergeboorte' wel heel fraai gestalte gegeven, in de film sterft de ene kloon van de hoofdfiguur Sam Bell en overleeft de andere.
65) De 'wedergeboorte' van Anne Frank (deze week de documentaire Anne Frank Remembered gekeken) is dat alleen voor ons, het publiek. De troost van het succes van Het Achterhuis is een erg magere.
Ook na de mislukte poging van de duivel om haar nek te breken, blijft ze Emmeken heten. Ze biecht bij de paus dat ze het liefje van de duivel is geweest - wat dat ook in moge houden. En dat is, vermoed ik, haar werkelijke zonde, maar dat wordt dus enkel abstract beschreven.
Mooi in het verhaal vind ik vooral de duivel in mensengedaante. Pas als hij Emmeken hoog de lucht in tilt om haar naar beneden te smijten toont de gravure een echte duivel en heeft hij het ook over het ‘bepissen van zijn staart’.
De machteloosheid van de duivel ook, als gevolg van de kracht van het gebed.
62) ‘I become hole’, schrijft Ann Cotten in haar duizelingwekkende bundel I, Coleoptile. Een kernachtige samenvatting van wat ik al ruim een half jaar probeer te zeggen. Een tikkeltje woordspelerig misschien, maar de betekenissen ‘hole’ en ‘whole’ wegen even zwaar, en dat is precies de spijker op zijn kop.
63) ‘Rebirth: that’s God’s stuff, too’; leuk citaat uit Rushdies The Satanic Verses.
64) In de mooie science fiction film Moon (2009) wordt het thema 'wedergeboorte' wel heel fraai gestalte gegeven, in de film sterft de ene kloon van de hoofdfiguur Sam Bell en overleeft de andere.
65) De 'wedergeboorte' van Anne Frank (deze week de documentaire Anne Frank Remembered gekeken) is dat alleen voor ons, het publiek. De troost van het succes van Het Achterhuis is een erg magere.
zondag 21 april 2013
Notitie #60
Gerard Reve geldt als een van de grootste Nederlandse schrijvers van de afgelopen 50, 60 jaar. Zijn werk is vaak expliciet erotisch, maar hij werd kwaad als het werk ‘vies’ of ‘schunnig’ werd genoemd, de erotiek was bij hem een wezenlijk onderdeel van zijn religieus leven. Theoretisch was Reve niet al te sterk, zoals bijvoorbeeld blijkt uit Moeder en zoon; een erg mooi boek over zijn bekering tot het katholicisme - maar het is niet zozeer mooi vanuit theologisch oogpunt - in dat opzicht is het vooral een beetje onbeholpen. Nee, het is mooi uit literair oogpunt.
Daarom, denk ik, hebben zoveel schrijvers en dichters moeite met de vraag naar waar het boek ‘over gaat’. Alle energie en kunde is in het literaire werk gaan zitten, het is wat veel gevraagd om de schrijver ook de theorie rond dat werk te laten maken. Daar zijn andere mensen voor.
De schrijver is zelfs juist niet de persoon om daar iets over te zeggen. Een dichter als Dorothea Lasky zegt dat poëzie juist gaat om hetgeen je niet begrijpt. Dat punt blijft een beetje heikel vind ik, het verschil tussen een droedel en een kunstwerk is juist dat het kunstwerk een constructie is, dat is ontworpen om een bepaalde ‘zegging’ te hebben. De kunstenaar wil het kunstwerk niet voor niets maken, niet voor niets is men vaak op zoek naar de ’noodzaak’ van het kunstwerk. Het kunstwerk moet er zijn, en is alléén wat het is - en hetgeen eventueel gezegd moet worden is iets dat alleen in het kunstwerk gezegd kan worden.
Dat de maker zelf vaak niet veel zinnigs over het werk heeft te zeggen is iets wat ik bijna dagelijks ervaar. Ik houd mezelf gerust met de gedachte dat ik dat ook niet hoef. Dat een kunstwerk vaak pas interessant wordt wanneer het ‘raar’ is. Tegelijk vind ik wel dat ik moet blijven proberen grip op het proces te houden, proberen te begrijpen wat er gebeurt.
Daarom, denk ik, hebben zoveel schrijvers en dichters moeite met de vraag naar waar het boek ‘over gaat’. Alle energie en kunde is in het literaire werk gaan zitten, het is wat veel gevraagd om de schrijver ook de theorie rond dat werk te laten maken. Daar zijn andere mensen voor.
De schrijver is zelfs juist niet de persoon om daar iets over te zeggen. Een dichter als Dorothea Lasky zegt dat poëzie juist gaat om hetgeen je niet begrijpt. Dat punt blijft een beetje heikel vind ik, het verschil tussen een droedel en een kunstwerk is juist dat het kunstwerk een constructie is, dat is ontworpen om een bepaalde ‘zegging’ te hebben. De kunstenaar wil het kunstwerk niet voor niets maken, niet voor niets is men vaak op zoek naar de ’noodzaak’ van het kunstwerk. Het kunstwerk moet er zijn, en is alléén wat het is - en hetgeen eventueel gezegd moet worden is iets dat alleen in het kunstwerk gezegd kan worden.
Dat de maker zelf vaak niet veel zinnigs over het werk heeft te zeggen is iets wat ik bijna dagelijks ervaar. Ik houd mezelf gerust met de gedachte dat ik dat ook niet hoef. Dat een kunstwerk vaak pas interessant wordt wanneer het ‘raar’ is. Tegelijk vind ik wel dat ik moet blijven proberen grip op het proces te houden, proberen te begrijpen wat er gebeurt.
Abonneren op:
Posts (Atom)