zondag 13 december 2020

Notities #404-406

 404) Schrijven is in de eerste plaats vertrouwen op (de validiteit van) het eigen perspectief, en de (vanzelfsprekend eigen) manier om die te verwoorden.

405) Vorm volgt inhoud.

406) De gesprekstof van A. verschilt misschien niet veel van andere vierjarigen, maar fascineert me eindeloos veel meer, omdat ik alles wat daarachter groeit, broeit en zich ontwikkelt voel, ervaar en wil kennen. Haar eigenheid is, door haar nabijheid, lastig te onderscheiden van mijn projecties.

maandag 30 november 2020

Notities #402-403

 402) Al in 1941 signaleerde George Orwell het einde van de autonome individu ('or perhaps one ought to say, in which the individual is ceasing to have the illusion of being autonomous'). In de recent uitgegeven bloemlezing Fascism and Democracy is hij allesbehalve optimistisch over de ontwikkeling van de mensheid (zie ook natuurlijk zijn 1984).

De analyse is des te wonderlijker, omdat hij hem noteerde in een periode waarvan tegenwoordig juist vrij algemeen wordt gesteld dat die het failliet van de ideologieën betekende: het individualisme ontwikkelde zich pas echt na de Tweede Wereldoorlog. Lang is gedacht dat hij (met 1984) ongelijk heeft gekregen, maar het is onthutsend om te zien hoe we ons nu op precies hetzelfde punt lijken te bevinden als waar we volgens Orwell in 1941 al waren aanbeland, en te bedenken dat hij destijds buiten de social media rekende (waar het individualisme het individualisme opheft).

403) Iconen, zegt Merleau-Ponty met Descartes in Oog en geest, zijn enkel het 'beeld' van hetgeen ze weergeven, 'op voorwaarde dat ze 'er niet op lijk[en]'' (p. 39). Hij vergelijkt ze met de verhouding van taal en tekens, die eveneens op 'geen enkele wijze lijken op de dingen die ze betekenen'. Hij beschrijft het zien als een 'denken dat strikt de in het lichaam gegeven tekens ontcijfert' (p. 40). Het mentale beeld, dus: het zien dat voor ons aanwezig maakt wat afwezig is, is volgens Descartes net zo goed een denken dat steunt op lichamelijke aanwijzingen.

dinsdag 24 november 2020

Notities #399-401

 399) Is het mannelijke, erotische verlangen niet in essentie vrouwenhaat? Hoe minder de mannelijke geilheid (door beschaving) wordt gefilterd, hoe gewelddadiger en destructiever die is.

 400) Er valt me aan de vrouwen in mijn omgeving die recent moeder zijn geworden een soort droefheid op, een melancholie. In een gesprek hierover wees B. op de oerervaring van het moederschap. Die brengt een verheviging teweeg van de meer 'gebruikelijke' melancholie: zodra het kind geboren is, zegt ze, begint het met sterven. Ik denk dat daar in ieder geval een kern van waarheid in zit: het is de melancholie van het geluk. Het is het tederste soort verdriet dat ik ken.

401) A. gaat nu al een paar weken naar school en ik heb er nog steeds moeite mee haar 's ochtends op het schoolplein achter te laten. Het gevoel haar opvoeding uit te besteden aan de maatschappij. Ik heb grote problemen met de moderne maatschappij, dus het is niet gek dat ik er ook moeite mee heb om degene die me het meest dierbaar is eraan over te leveren - hoe leuk de school ook is en hoe lief de docenten ook zijn. 

Het cliché dat het een oefening in loslaten is, klopt natuurlijk. A. observeert scherp, denkt helder na over wat ze waarneemt en is ook open in haar vragen. Dat geeft me hoop, ook met het oog op de enorme vraagstukken waar ze in haar leven mee te maken gaat krijgen.

vrijdag 13 november 2020

Notities #397-398

 397) In zijn essay over de waarneming in de kunst, Oog en geest, noemt Merleau-Ponty het zien 'een hebben op afstand': een 'bizar' bezit dat door de schilderkunst wordt uitgebreid naar alle aspecten van het Zijn. Het zien, van de werkelijkheid, maar ook van de kunst, is méér dan alleen lichamelijk. Merleau-Ponty stelt dat een schilderij alleen volgens het lichaam analoog is, het zien 'bekleedt' de 'imaginaire textuur van het werkelijke' van 'binnenuit'. Hij komt dan ook tot de conclusie dat er een blik van binnen is: een 'derde' oog, dat mentale beelden ziet.

398) Nog vóór Joe Biden tot winnaar van de verkiezingen in de VS was uitgeroepen, noemde David Pakman (hier) het 'mythische' en 'magische' denken van de aanhangers van Donald Trump een van de belangrijkste problemen waar het land mee te kampen heeft. Hij bedoelt daarmee het denken dat hecht aan 'conspiracies' en hij plaatst dat denken tegenover het 'empirische' denken, een denken dat hecht aan feiten. 

Zijn analyse is volgens mij juist, dat is precies het ongemakkelijke eraan: ik heb me in mijn denken juist altijd sterk gemaakt voor het 'magische' denken, de verbeelding, het (zo je wilt) 'religieuze' denken, en ik heb me juist steeds verzet tegen de tijdsgeest, die precies dit denken afwijst en enkel waarde hecht aan meetbare eenheden (het liefst uit te drukken in geld). Ik voel me bij dit soort betogen door de tijdsgeest ingehaald.

Pakmans onderscheid is dan ook te grof. Het 'mythische' denken vind je volgens mij vooral bij religieuze mensen, en het probleem is in dit opzicht het fundamentalisme. Pakman maakt dat onderscheid niet en dat is heel begrijpelijk, omdat hij het niet meer heeft over een cultus, maar een stroming: hij heeft het over meer dan 70 miljoen kiezers, die vanuit dat 'magische' denken op Trump hebben gestemd. Zijn dat allemaal religieuze fundamentalisten? Vast niet, maar er is in dat geval ook iets anders mis, en het is er erg aan verwant.

De domheid regeert, letterlijk. Maar als Pakman stelt dat deze mensen 'in oorlog' zijn, dan heeft hij het volgens mij niet eens zozeer over een oorlog tegen de rede, maar over een oorlog tegen de werkelijkheid. Het is verleidelijk om dat gegeven te psychologiseren, maar ik denk dat de Trump-stemmer de afgelopen vier jaar al meer dan genoeg psychlogisch is geduid, zonder dat dit iets heeft opgeleverd. De denkrichting lijkt me meer dat het Trumpisme een consequentie is van het gegeven dat religie in de maatschappij op een gegeven moment is vervangen door het kapitalisme en dat het kapitalisme failliet is.

donderdag 5 november 2020

Notitie #396

Hoe leuk de clip ook is, het (bij de eerste luisterbeurt vooral grappige) liedje is zonder beelden eigenlijk beter. Er is erg veel te zeggen over de (nogal geniale) tekst en (geweldige) uitvoering van dit liedje, maar het refrein vat het misschien allemaal mooi samen. 

Het draait, in wat het refrein van een drinkliedje lijkt, om drie ongerelateerde zinnen: het feestelijke 'pass the wine', het activistische 'fuck the government' en het lieve 'I love you'. Doordat de vertellers niet weten welke zin door de ander wordt uitgesproken, nemen ze het zekere voor het onzekere en reageren ze bevestigend op alledrie de opmerkingen. Het effect daarvan is, vind ik, bijzonder ontroerend. 

Het illustreert bijvoorbeeld erg mooi de onhandige onzekerheid bij een beginnende verliefdheid. De herhaling van de drie opmerkingen aan het slot van het refrein is bovendien komisch vanwege de voorspelbaarheid: je voelt de conclusie ('I love you too') al van mijlenver aankomen en precies daarom is het grappig en ontroerend als die laatste zin uiteindelijk wordt uitgesproken. Maar belangrijker nog is dat de drie opmerkingen door deze techniek op elkaar inwerken. Ze werken samen en worden daarmee een (feestelijk, activistisch en lief) geheel. Deze curieuze mix maakt er een soort viering van (van het leven en de liefde, zou ik zeggen): het maakt de op zichzelf nietszeggende zinnetjes veelzeggend en universeel- en verleent ze bovendien een levenslust die deze dagen broodnodig is.

zaterdag 29 augustus 2020

Notitie #395

N.a.v. een interviewfragment over Lucebert herhaalde Ilja Leonard Pfeijffer tijdens Zomergasten zijn opmerking dat er, na de onthulling dat Lucebert in zijn jonge jaren aanhanger van de nazi's was, geen letter aan het oeuvre is veranderd, want: 'het werk staat los van zijn maker' (ik schreef er in notitie #303 over). 

Pfeijffer lijkt een gedicht als mechaniek te zien, waar de maker, als het eenmaal af is, niets meer mee te maken heeft. Over inspiratie vertelde hij dat Lucebert veel tijd en energie stak in het 'afstemmen op de juiste frequentie', iets dat kan aanvoelen als iets externs. Maar dat is het volgens Pfeijffer niet, want hij gelooft niet in iets externs (hoewel we het volgens hem wel nodig hebben om te geloven).

Daarmee ging hij voorbij aan het gegeven dat Lucebert zijn gedichten in het getoonde fragment (na een lange aanloop en met veel moeite) 'bekentenissen' noemde; iets dus dat bij uitstek heel persoonlijk is (dus: verbonden met de persoon). Hij ging bovendien voorbij aan zijn eigen verhaal over hoe hij de poëzie van Lucebert ontdekte, hij ervoer die ontdekking als een bevrijding. De ontdekking van een dichter is altijd óók de ontdekking van een persoon: een zienswijze, of, als je het (als Pfeijffer) technisch wil duiden, op zijn minst een werkwijze (die voortkomt uit een zienswijze). 

En de opmerking dat 'ook een klootzak mooie gedichten kan maken' is veelzeggend. Dat is namelijk alléén op technisch gebied waar. Maar een goed gedicht is zoveel méér dan techniek, het is een wereld. Het is een uitdrukking van het mens-zijn. En iemand die (in mijn optiek) faalt in het mens-zijn, kan me daar ook niets waardevols over zeggen.

Een gedicht kan kortom niet los van de maker staan, want het drukt het diepste wezen van de maker uit. Lucebert impliceerde dat in het getoonde fragment zelf ook. Het werk kan alléén los van de maker staan, als de dichter daadwerkelijk het doorgeefluik is van iets externs, maar juist daar gelooft Pfeijffer niet in. Terwijl je niet eens in iets bovennatuurlijks hoeft te geloven, om die stelling aan te hangen. De buitenwereld is ook 'iets externs'.

zaterdag 1 augustus 2020

Notities #393-394

393) Daags nadat ik de voorgaande notities schreef, begon Donald Trump met het ondermijnen van de komende verkiezingen (door te suggereren dat ze moeten worden uitgesteld). Het maakt niet eens zo veel uit of hij daarin slaagt: het is voor hem genoeg om bij voorbaat de legitimiteit van de uitslag ter discussie te stellen. Hij zal zich niet neerleggen bij een verkiezingsnederlaag.

De komende maanden, en misschien wel jaren, worden heel lelijk. In Hiding in Plain Sight laat Sarah Kendzior zien dat de instituten, politici, jounalisten, etc., die de opkomst van Trump hadden kunnen en moeten stoppen, hebben gefaald - omdat ze het gevaar hebben onderschat, omdat ze op cruciale momenten fouten hebben gemaakt en/of omdat ze zelf gecorrumpeerd zijn. Er is weinig aanleiding te geloven dat dezelfde instituten ervoor zullen zorgen dat er over een paar maanden, vreedzaam of met geweld, een machtsoverdracht zal plaatsvinden.

Kendzior hield er vanaf het moment dat Trump de verkiezingen in 2016 'won' serieus rekening mee dat hij (veel) langer dan de termijn van vier jaar, als autoritair leider, aan de macht zal zijn. Na lezing van haar boek vrees ik hetzelfde. Mijn angst betreft vooral A., meer precies: de wereld waar zij in op zal groeien. Het (fascistische) bewind zal vooral in de VS zelf grote en dramatische gevolgen hebben, maar ook in Europa zal dat het geval zijn. De Verenigde Naties zullen bijvoorbeeld verder worden verzwakt, om maar een voorbeeld te noemen. En maatregelen tegen de klimaatverandering zullen uitblijven (integendeel).

394) Op meerdere plaatsen uit Kendzior haar frustratie dat ze ziet hoe het misgaat, maar dat ze niet bij machte is daar iets tegen te doen. Over de doodsbedreigingen die ze ontvangt, meldt ze dat ze, door haar studie van autoritaire regimes, weet hoe dit gaat aflopen. Ze zegt het niet expliciet, maar ze houdt er dus serieus rekening mee dat het regime haar om zal brengen (het boek wemelt van de verdachte sterfgevallen). Het klinkt extreem, en ik hoop dat het een té extreme gedachte is, maar het is een gegeven dat Kendzior één van de weinige stemmen is die waarschuwt voor het gevaar van Trump (en tot nu kreeg ze steeds gelijk). Ironisch genoeg is dus wellicht haar relatief geringe bereik de reden dat ze nog leeft.