zaterdag 28 november 2015

Notitie #204

‘Lang vóór Konrad Lorenz de leven-bevorderende functie van agressie in het dierenrijk ontdekte, werd geweld dus aangeprezen als een manifestatie van de levenskracht en speciaal van haar creativiteit’, lees ik bij Arendt [in On violence, over Georges Sorel].

De Oekraïense kunstenares Maria Kulikovska vernietigde deze week replica’s van haar Homo Bulla (2012), een serie beelden, vervaardigd uit zeep, en met behulp van mallen die gemaakt zijn van haar eigen lichaam. De titel, en de materiaalkeuze, wijzen m.i. op de kwetsbaarheid van het leven. De beelden staan in het Oost-Oekraïense Izolatyia te verweren. Volgens het verslag onder de link werd de beeldengroep regelmatig beschoten (en daarmee zwaar beschadigd) door de pro-Russische troepen aldaar.

Kulikovska stelt dat dit gebeurde uit machtsvertoon, en ook heeft het leger kennelijk statements gemaakt over de perversiteit van het werk. Kulikovska heeft hier dus op gereageerd door (replica’s van) de beelden kapot te slaan, terwijl ze zelf – net als de beelden – naakt was. Naar eigen zeggen was dat een daad tegen de terroristen, om te laten zien dat ze zelf de eigenaar is van haar lichaam en haar leven. Ook stelt ze de daad voor als een verdediging van het vrouwelijk lichaam. of beter misschien: de vrouwelijkheid.

Het is hoe dan ook een tegelijk agressief en kwetsbaar gebaar, tegelijk afbrekend en scheppend - vergelijkbaar met de performance van Deborah De Robertis in Musée d’Orsay. Het komt me voor dat Kulikovska, door haar eigen beelden met geweld te vernietigen, een soort omgekeerd scheppingsproces bewerkstelligde: ze verdedigde haar werk door het te vernietigen, door er een niet-werk van te maken, een afwezigheid. En: ze bevestigde haar eigen bestaan (schiep zichzelf) door haar evenbeeld te vernietigen.

Geweld als manifestatie van levenskracht en creativiteit, overigens, is – en ik weet zeker dat Arendt zich daarvan bewust was – een van de verklaringen waarom het geweld tijdens de Tweede Wereldoorlog zulke groteske proporties heeft kunnen aannemen. Zeker in tijden van geweld is het m.i. essentieel datzelfde principe op een daadwerkelijk creatieve manier in te zetten. (Volgens mij is dat de enige manier waarop de roep om, bijvoorbeeld, gevaarlijke poëzie, hout snijdt).

maandag 23 november 2015

Notitie #203

Terecht scheidt Hannah Arendt in haar On violence de termen ‘macht’, ‘sterkte’, ‘kracht’, ‘gezag’ en ‘geweld’. In de literatuur tot dan toe (Arendt publiceerde haar essay in 1970) werden deze termen door elkaar gebruikt. Ten minste het begrip ‘geweld’ had misschien expliciet verder onderverdeeld moeten worden. In On violence behandelt ze verschillende typen geweld, maar met name politiek geweld (om de heersende macht te ondermijnen, en om de heersende macht te bestendigen).

Belangrijk is haar notie dat, hoewel macht en geweld vaak als synoniem worden gezien, ze eerder tegenstellingen zijn: daar waar de ene absoluut heerst, is de andere afwezig. Macht in zijn meest zuivere vorm is dus geweldloos. Geweld is juist het teken dat de macht verzwakt raakt, waarbij Arendt aantekent dat geweld wel macht kan vernietigen, maar absoluut niet in staat is macht te scheppen.

De studie doet verouderd aan, niet alleen omdat de Koude Oorlog er een centrale rol in speelt, en o.a. de studentenprotesten van eind jaren ’60, maar ook omdat ze de mechanismen van politiek geweld beschrijft op nationaal niveau: het mondiale geweld had destijds een ander karakter, omdat in de Koude Oorlog twee machten tegenover elkaar stonden.

Het mechanisme waarin politiek geweld wordt toegepast door een relatief kleine groep tegen de heersende macht, was destijds alleen zichtbaar op nationaal niveau (Vietnam, Hongarije, Tsjecho-Slowakije). Tegenwoordig is dit ook mondiaal zichtbaar. Het geweld dat de heersende macht gebruikt om zich tegen de – om het zo maar te noemen - opstandelingen te beschermen, gaat ten koste van de macht zelf, ongeacht of de kleine groep overwint of het onderspit delft. Arendt wijst op de zelfvernietigende factor in de overwinning van geweld op macht: ‘Macht vervangen door geweld kan een overwinning opleveren, maar de prijs is zeer hoog, want hij wordt niet alleen betaald door de overwonnene, maar ook door de overwinnaar ten koste van zijn eigen macht’.

donderdag 12 november 2015

Citaat 12 november 2015

When you have proved that God is merely a name for the sex instinct, it appears to me not far from the perception that the sex instinct is God.

- Aleister Crowley (1875-1947)

vrijdag 30 oktober 2015

Notitie #202

J. stelt, naar aanleiding van mijn ‘moderne Belijdenis van Augustinus’, dat mijn werk aan kracht zou winnen als ik eenzelfde directheid en onbeschaamdheid in mijn gedichten zou bereiken. De ironie wil dat ik de ‘belijdenis’ alleen heb kunnen schrijven door mezelf als personage te beschouwen. Ik ben ervan overtuigd dat mijn eigen ervaringen en gedachten alleen interessant zijn als materiaal. Niet als eindproduct.

Het gaat dan ook niet zozeer om het persoonlijke (goede bekentenisliteratuur is zeldzaam), maar om wat J. ‘onbeschaamdheid’ noemt. 

De opdracht tot het schrijven van de ‘belijdenis’ dwong me uit te gaan van een schaamtevolle ervaring. Schaamte is waar het persoonlijke in conflict komt met de omgeving, het algemene (en met zichzelf). Waar het persoonlijke vragen stelt aan het algemene (en aan zichzelf). Al voelt het als precies het tegenovergestelde, namelijk als waar het algemene (en het zelf) oordeelt over het persoonlijke. 

Vandaar de vermomming. En vandaar de noodzaak die af te leggen.

donderdag 22 oktober 2015

Notities #199-201


199) 'Well, well, well: two of New York’s finest little ladies in distress.' Aan het begin van ‘Victimless crime’ krijgen Cagney en Lacey autopech. Cagney wil de politiemonteur niet bellen omdat ze geen zin heeft in de seksistische grappen van de ongetwijfeld macho monteur. Als Lacey wegloopt om toch te bellen, doet Cagney met bovenstaand citaat voor zichzelf zo’n monteur na. De scene staat niet online maar is wat mij betreft klassiek: sowieso, omdat het nogal klassiek is geacteerd, en ook omdat het een mooie demonstratie is van het komisch talent van Sharon Gless. Maar vooral is het mooi als relativering van het feminisme van de serie. De clou (er komt een vrouwelijke monteur) is weliswaar voorspelbaar, maar in de context werkt het heel goed.

200) B. vermoedt dat het succes van Cagney and Lacey ligt in de aantrekkingskracht voor zowel vrouwen (rolmodellen) als mannen (die merken dat sterke vrouwen sexy zijn). Ze wees zelf al op het generaliserende karakter van die opmerking, maar dat was niet waarom ik weerstand voelde. Ik vond de term ‘sexy’ misplaatst, of in ieder geval ontoereikend. Juist deze actrices deden hun best niet te veel sekssymbolen te worden en wilden beoordeeld worden op hun prestaties. En juist deze personages worden ook getoond op momenten waarop ze allesbehalve ‘sexy’ zijn. Waarmee natuurlijk een andere, veel wezenlijkere, schoonheid wordt getoond. 

Zou het inderdaad zo zijn dat de bewondering voor iemand van hetzelfde geslacht in de kern mimetisch is, en die voor het andere geslacht in de kern erotisch? Misschien gaan voor beide typen bewondering beide typeringen op. Erotiek is volgens mij uiteindelijk het verlangen de ander te zijn.

201) Ik had het over het komisch talent van Sharon Gless. Het gaat verder dan dat: ze is in staat op heel emotionele momenten (óók) komisch te zijn. Volgens mij laat ze daar iets wezenlijks mee zien over de relatie tussen drama en humor. (Terwijl ik dit opschrijf moet ik denken aan Bataille, hij wijst erop dat de mens het enige dier is dat besef heeft van de dood, en het enige dier dat in staat is te lachen).

donderdag 15 oktober 2015

Notitie #198

In een interview met de Poëziekrant vertelt Maarten van der Graaff in zijn tweede bundel Dood werk expliciet de verbinding te zoeken met enkele vrienden (vooral dichters) die net als hij eind jaren ’80 zijn geboren. Je zou zeggen dat die verbinding er al is: hij is immers met de genoemde personen bevriend.

Of zoekt hij iets dat verder gaat dan dat? Hij deed dat net zo expliciet in zijn debuut, en zijn dichtende vrienden doen hetzelfde: Matthijs Ponte in gemeenschap, Frank Keizer in Mijn eigen problemen. Los van het ‘politieke’ aspect daarvan lijkt die behoefte aan ‘verbinding’ me wezenlijk.

Van der Graaff zet zijn vrienden op een koude steen – een Bijbels beeld. Wat dat precies betekent, zegt hij in het interview, weet hij niet: “Ik weet niet precies hoe, maar dat zitten op een steen vond ik passen. […] Het lijkt me een eenzame bezigheid. Tegelijkertijd zitten in dit gedicht al die mensen tegelijkertijd op de koude steen.”

Als hij al naar iets 'hogers' reikt, dan schuilt dat in de verbinding, de gemeenschap. Maar degenen waar hij verbinding mee zoekt zijn zelf - in de verbinding - eenzaam.  

zondag 11 oktober 2015

Citaat 11 oktober 2015

Het Paradijs kan niets anders dan een spel zijn. Het doel van ons leven is een esthetisch doel, en kan geen ethisch doel zijn. Ook al telt, in de tussentijd, de ethiek duchtig mee. 'In de tussentijd' betekent: eerbied voor de anderen, eerder dan eerbied voor objectieve normen.

- Gianni Vattimo (1936)

Uit: René Girard en Gianni Vattimo: Waarheid of zwak geloof? Dialoog over christendom en relativisme (2008). Vert. J.M.M. de Valk.