zondag 25 mei 2014

Notitie #111

Wachtend in de snackbar las ik een stukje van een column van Rob Hoogland in De Telegraaf. Het stukje ging over Alexander Pechtold, maar in een bijzinnetje verwerkte hij een sneer naar Willem Jan Otten. Ik citeer uit het hoofd: “Geen mens gelooft meer in God, op een paar excentriekelingen als onze laatste PC Hooftprijswinnaar na.”  De Contrabas linkte smalend naar Ottens dankwoord en noemde het “een tekst vol met in wijwater en miswijn gedrenkte zalvende woorden“.

Stuitend domme reacties, waar ik me in eerste instantie over opwond, maar die ik bij nader inzien eigenlijk wel mooi vind.  Juist in deze tekst drukt Otten de kern uit van wat hem drijft. Hij is daar zijn hele schrijvende leven al om bespot; het hoort bij het ritueel dat zijn dankwoord dit soort reacties uitlokt.

Ik was ontroerd toen Otten tijdens de uitreiking PC Hooftprijs, afgelopen donderdag, gedetailleerd schetste hoe hij als kind zijn moeder zag lezen en de beschrijving afrondde met de observatie: ‘ik herinner me dat ik wilde zijn wat ze las’.

Daar vindt een geboorte plaats. Niet zozeer de geboorte van Willem Jan Otten als mens of als schrijver (al is het wel degelijk veelzeggend dat juist zijn moeder de gedachte opwekt); het is in de eerste plaats de geboorte van die drijfveer, d.i. een allesoverheersend verlangen - en de geboorte van de hele magische wereld die daarmee samenhangt. De geboorte van het verlangen, de wil, niet alleen om taal te worden, maar om te zijn, te worden gezien, om iemand te raken. Het is de omarming van het alomvattende, het volledige leven.

zondag 20 april 2014

Notities #109-110

109) Op verschillende plaatsen in René Girards uiteenzetting van de zondeboktheorie in God en geweld heb ik in de kantlijn genoteerd: ‘Christus’. Niet zozeer omdat hij één op één verwijst naar het Passieverhaal, maar wel omdat hij daar duidelijk op alludeert. Hier bijvoorbeeld:

In al de mythen trekt de held immers het geweld naar zich toe, een boosaardig en besmettelijk geweld dat de hele gemeenschap treft en dat door zijn dood of zijn triomf omslaat in orde en veiligheid.

En op dezelfde pagina:

Nog andere thema’s zouden de offercrisis en haar oplossing kunnen verbergen, zoals het thema van de collectieve heil dat van een god of demon bekomen wordt ten koste van één slachtoffer. 

En:

Lienhardt zelf omschrijft het slachtoffer als scapegoat, een zondebok, die de ‘drager van de menselijke hartstochten’ wordt. We hebben inderdaad met een waarachtige dierlijke farmakos te maken, een kalf of een os als zondebok die niet zozeer vaag omschreven ‘zonden’ op zich neemt dan wel de reële gevoelens van vijandschap die de leden van de gemeenschap voor elkaar koesteren, hoewel die meestal verborgen blijven.

Zelf legt Girard de relatie met het verhaal van het lijden en sterven van Christus niet expliciet. Toch is Christus m.i. een duidelijk voorbeeld van een zondebok (de buitenstaander op wie de gemeenschap zich met al dan niet terechte beschuldigingen richt om het geweld dat binnen de gemeenschap aanwezig is te kanaliseren; door het doden van het slachtoffer wordt de gemeenschap van dit geweld gered).

Girard richt zich in zijn studie op de voorchristelijke, ‘primitieve’ culturen, waar de Bijbelverhalen in zijn geworteld. Ik vermoed dat hij de parallel bewust (in ieder geval voorlopig) impliciet laat om zijn theorie zo zuiver mogelijk te kunnen formuleren.

110) Een zuiverheid, overigens, die de tentoonstelling ‘Stille kracht’ in de Warande in Turnhout miste. Hier was het ritueel in zijn algemeenheid het onderwerp en stonden primitieve en christelijke rituele voorwerpen (al dan niet van verering) en handelingen door elkaar: heiligenbeelden, crucifixen, voodoopoppetjes, heksenspiegels, magische cirkels, etc - en de moderne interpretaties daarvan. De tentoonstelling miste focus, maar liet door deze opzet wel de rijkheid van het onderwerp zien.

Juist de moderne werken benadrukten de primitieve wortels van het christendom. De buste ‘If you were coming in the fall’ (2012) van Femmy Otten had bijvoorbeeld een opvallende overeenkomst met de reliekbuste van de onbekende vrouwelijke heilige uit de vierde eeuw in een andere zaal, behalve dat het werk van Otten veel primitiever oogt.


zaterdag 12 april 2014

Citaat 12 april 2014

The reconstruction is a transformation that leads to something faithful.

- Jeff Wall (1946)

woensdag 9 april 2014

Notities #107-108

107) In een interview met Vooys zegt Ester Naomi Perquin over (politiek geladen) engagement:

“Mensen zeggen tegen [Ramsey Nasr]: wat zit jij nu eigenlijk te doen, waar zit je nou eigenlijk tegen te protesteren? Je woont in Nederland, je hebt een centrale verwarming, een rijtjeshuis, 2.2 kinderen en een golden retriever... Wat wil je nog meer? Toch is het ingewikkeld. In zijn poëzie is engagement niet een truc, hij kan er niet omheen als schrijver. Die urgentie zit er voor mij ook in, maar in Nederland blijft dat lastig. We willen het wel, maar we willen het theoretisch – niet in de praktijk.”

Over welke ‘urgentie’ gaat het hier? Die om politiek geëngageerde poëzie te schrijven? Ik zie niet goed wat daar lastig aan is, de gedachte dat Nederlandse dichters vanwege hun welvaart niet (meer) politiek geëngageerd zouden zijn lijkt me een cliché dat niet meer opgaat - als het al ooit is opgegaan. Het is niet ingewikkeld, het heeft eenvoudigweg met het vakmanschap van de dichter te maken.

108)  In zijn essay Denken is een lust formuleert Willem Jan Otten dikwijls wonderlijk raak. Omdat het duidelijk vóór het internettijdperk is geschreven (1984) doet het soms wat gedateerd aan, maar meer dan een essay over pornografie is het een essay over de (seksuele) psyche van zowel de man als de vrouw, en dus uiteindelijk over menselijkheid.

Ergens in het begin schrijft hij: ‘Het is een misvatting te denken dat mannen die pornografie kopen alleen vrouwen als objecten zien. Zij willen ook zichzelf als objecten zien.’ Kern is de ‘paniek over de verwisselbaarheid’: waar mannen die paniek beteugelen door zichzelf weg te denken (hij is elke man), beteugelen vrouwen die door ‘zichzelf voor te stellen als een ander, door een blik van (gepostuleerd mannelijke) begeerte op zichzelf te werpen’ (zij is de ultieme vrouw). Otten illustreert het punt met de stelling dat het in een van de wredere topen van de pornografie, de ‘gangbang’, zeker ook de mannen zijn die worden gebruikt: ‘als darren voor de koningin’. Een huiveringwekkend beeld.

vrijdag 4 april 2014

Notitie #106

In gesprek met S. noemde ik een liedje van Peggy Sue, dat ik tijdens de voorpret voor hun concert gisteren op Youtube vond, ‘belangrijk’. Hoezo, belangrijk? Het is misschien de setting en de manier van filmen die benadrukt dat een kleine groep mensen bijeen is gekomen om te horen wat de zangeres heeft te vertellen. De zangeres is in de positie van de priester, de prediker. De tekst over de symmetrie en de poëzie van het bestaan komt daarmee overeen.

‘Once we were strangers’, in die combinatie vind ik alleen religieuze liederen waarin de liefde voor Christus wordt beleden (‘I once was a stranger’). In dit Jiddisch klinkend liedje wordt ook een liefde beleden, die voor de liefde: ‘love will save the day’, en: ‘love will make you strong’.

Op het hoogtepunt van het liedje wordt gezongen: ‘love will make you pray’, uitmondend in: ‘oh my Lord, you’re my love/ please don’t go away’. Of zingt ze simpelweg: ‘oh my love, you’re my love’? Ik weet het niet, ik heb de tekst van het liedje niet kunnen vinden. Voor de schoonheid van het liedje maakt het niet uit: God is immers Liefde. De verbinding van sterfelijkheid met intelligentie vind ik ook mooi: ‘You’re much too clever to die/ and I’m much too clever to die’: de hoogste intelligentie is onsterfelijk. En op de slotregels ben ik onmetelijk jaloers: ‘I know you better than I/ and you know me better than I’.

Is dit dan zo’n religieus liedje? Ja en nee. Ze zingen: ‘We were strangers, one day we’ll be strangers again’ en het devies luidt: ‘Let’s just keep on trying our luck/ and fighting and fucking ‘till then’. In de analogie met ‘I once was a stranger’ zal het gewonnen geloof weer worden verloren, sterker: het hele lege, zinloze, hopeloze bestaan is alles. ‘The empty space is all there is’ zingen ze. En dat is niet erg. ‘I can’t help to see the poetry in this’.


donderdag 27 maart 2014

Notitie #105

In Achternamiddagen schrijft Christiaan Weijts: ‘Literatuur en misdaad horen wat mij betreft bij elkaar.’ Hij illustreert de opmerking met voorbeelden van ‘onverzoenlijke auteurs’ en misdadige personages, waaronder zijn eigen personage uit Art. 285b.  Dan maakt hij n.a.v. het volgens hem niet slecht geschreven pamflet van Anders Breivik een sprongetje naar diverse terroristen: ‘Terroristische stellingen zijn het tegenovergestelde van literaire dilemma’s’, concludeert hij. In het (literaire) dilemma verschilt een literair werk beslissend van een terroristisch pamflet.

Ik wil dat wel aannemen, maar de vraag blijft: wat hebben literatuur en misdaad dan met elkaar gemeen? Met zijn voorbeelden illustreert Weijts in ieder geval dat literatuur (en de maker ervan) mogelijkheden toont, waaronder misdadige. Kunst is, lijkt me, niets anders dan zichzelf. Kunst heeft van zichzelf geen moraal. Dat betekent dat er een punt is waar kunst misdaad kan worden - en waar dat punt ligt hangt af van de context waarin de tekst gelezen en geschreven wordt.

zaterdag 8 maart 2014

Notitie #104

Omdat Alfred Schaffer in zijn eerdere werk op een zeer onpersoonlijke manier zeer persoonlijk was, is het verleidelijk zijn nieuwe bundel Mens Dier Ding ook op die manier te lezen. Volgens de recensies eigent Schaffer zich het hoofdpersonage Sjaka Zoeloe toe. In dat geval zou je kunnen zeggen, en het is ook al gezegd, dat Schaffer zich Zuid-Afrika toe-eigent; en dat zou hij dan - neem ik aan - doen omdat Zuid-Afrika zijn nieuwe thuisland is.

Het is allemaal een kwestie van perspectief. ‘Ik ben een projectiescherm […]’, luidt een regel uit het tweede gedicht, het gedicht waar Sjaka in wordt geïntroduceerd. Dat kan niets anders betekenen dan dat Sjaka zelf leeg is. Ik heb Schaffer nooit een religieus dichter gevonden. Maar in het op een na laatste gedicht, ‘dagdroom #0’, Sjaka is dan al dood, begint een ik-figuur te bidden. Het gedicht eindigt met de prachtige regel: ‘Ik zocht naar U maar vond geen tegenstand.’ Dat impliceert twee dingen, namelijk dat men God ervaart in de tegenstand, en, ten tweede, dat die tegenstander er niet (meer) is. Is God er niet? Of ervaren we God alleen nog als niet-zijn, als leegte?