woensdag 9 april 2014

Notities #107-108

107) In een interview met Vooys zegt Ester Naomi Perquin over (politiek geladen) engagement:

“Mensen zeggen tegen [Ramsey Nasr]: wat zit jij nu eigenlijk te doen, waar zit je nou eigenlijk tegen te protesteren? Je woont in Nederland, je hebt een centrale verwarming, een rijtjeshuis, 2.2 kinderen en een golden retriever... Wat wil je nog meer? Toch is het ingewikkeld. In zijn poëzie is engagement niet een truc, hij kan er niet omheen als schrijver. Die urgentie zit er voor mij ook in, maar in Nederland blijft dat lastig. We willen het wel, maar we willen het theoretisch – niet in de praktijk.”

Over welke ‘urgentie’ gaat het hier? Die om politiek geëngageerde poëzie te schrijven? Ik zie niet goed wat daar lastig aan is, de gedachte dat Nederlandse dichters vanwege hun welvaart niet (meer) politiek geëngageerd zouden zijn lijkt me een cliché dat niet meer opgaat - als het al ooit is opgegaan. Het is niet ingewikkeld, het heeft eenvoudigweg met het vakmanschap van de dichter te maken.

108)  In zijn essay Denken is een lust formuleert Willem Jan Otten dikwijls wonderlijk raak. Omdat het duidelijk vóór het internettijdperk is geschreven (1984) doet het soms wat gedateerd aan, maar meer dan een essay over pornografie is het een essay over de (seksuele) psyche van zowel de man als de vrouw, en dus uiteindelijk over menselijkheid.

Ergens in het begin schrijft hij: ‘Het is een misvatting te denken dat mannen die pornografie kopen alleen vrouwen als objecten zien. Zij willen ook zichzelf als objecten zien.’ Kern is de ‘paniek over de verwisselbaarheid’: waar mannen die paniek beteugelen door zichzelf weg te denken (hij is elke man), beteugelen vrouwen die door ‘zichzelf voor te stellen als een ander, door een blik van (gepostuleerd mannelijke) begeerte op zichzelf te werpen’ (zij is de ultieme vrouw). Otten illustreert het punt met de stelling dat het in een van de wredere topen van de pornografie, de ‘gangbang’, zeker ook de mannen zijn die worden gebruikt: ‘als darren voor de koningin’. Een huiveringwekkend beeld.

vrijdag 4 april 2014

Notitie #106

In gesprek met S. noemde ik een liedje van Peggy Sue, dat ik tijdens de voorpret voor hun concert gisteren op Youtube vond, ‘belangrijk’. Hoezo, belangrijk? Het is misschien de setting en de manier van filmen die benadrukt dat een kleine groep mensen bijeen is gekomen om te horen wat de zangeres heeft te vertellen. De zangeres is in de positie van de priester, de prediker. De tekst over de symmetrie en de poëzie van het bestaan komt daarmee overeen.

‘Once we were strangers’, in die combinatie vind ik alleen religieuze liederen waarin de liefde voor Christus wordt beleden (‘I once was a stranger’). In dit Jiddisch klinkend liedje wordt ook een liefde beleden, die voor de liefde: ‘love will save the day’, en: ‘love will make you strong’.

Op het hoogtepunt van het liedje wordt gezongen: ‘love will make you pray’, uitmondend in: ‘oh my Lord, you’re my love/ please don’t go away’. Of zingt ze simpelweg: ‘oh my love, you’re my love’? Ik weet het niet, ik heb de tekst van het liedje niet kunnen vinden. Voor de schoonheid van het liedje maakt het niet uit: God is immers Liefde. De verbinding van sterfelijkheid met intelligentie vind ik ook mooi: ‘You’re much too clever to die/ and I’m much too clever to die’: de hoogste intelligentie is onsterfelijk. En op de slotregels ben ik onmetelijk jaloers: ‘I know you better than I/ and you know me better than I’.

Is dit dan zo’n religieus liedje? Ja en nee. Ze zingen: ‘We were strangers, one day we’ll be strangers again’ en het devies luidt: ‘Let’s just keep on trying our luck/ and fighting and fucking ‘till then’. In de analogie met ‘I once was a stranger’ zal het gewonnen geloof weer worden verloren, sterker: het hele lege, zinloze, hopeloze bestaan is alles. ‘The empty space is all there is’ zingen ze. En dat is niet erg. ‘I can’t help to see the poetry in this’.


donderdag 27 maart 2014

Notitie #105

In Achternamiddagen schrijft Christiaan Weijts: ‘Literatuur en misdaad horen wat mij betreft bij elkaar.’ Hij illustreert de opmerking met voorbeelden van ‘onverzoenlijke auteurs’ en misdadige personages, waaronder zijn eigen personage uit Art. 285b.  Dan maakt hij n.a.v. het volgens hem niet slecht geschreven pamflet van Anders Breivik een sprongetje naar diverse terroristen: ‘Terroristische stellingen zijn het tegenovergestelde van literaire dilemma’s’, concludeert hij. In het (literaire) dilemma verschilt een literair werk beslissend van een terroristisch pamflet.

Ik wil dat wel aannemen, maar de vraag blijft: wat hebben literatuur en misdaad dan met elkaar gemeen? Met zijn voorbeelden illustreert Weijts in ieder geval dat literatuur (en de maker ervan) mogelijkheden toont, waaronder misdadige. Kunst is, lijkt me, niets anders dan zichzelf. Kunst heeft van zichzelf geen moraal. Dat betekent dat er een punt is waar kunst misdaad kan worden - en waar dat punt ligt hangt af van de context waarin de tekst gelezen en geschreven wordt.

zaterdag 8 maart 2014

Notitie #104

Omdat Alfred Schaffer in zijn eerdere werk op een zeer onpersoonlijke manier zeer persoonlijk was, is het verleidelijk zijn nieuwe bundel Mens Dier Ding ook op die manier te lezen. Volgens de recensies eigent Schaffer zich het hoofdpersonage Sjaka Zoeloe toe. In dat geval zou je kunnen zeggen, en het is ook al gezegd, dat Schaffer zich Zuid-Afrika toe-eigent; en dat zou hij dan - neem ik aan - doen omdat Zuid-Afrika zijn nieuwe thuisland is.

Het is allemaal een kwestie van perspectief. ‘Ik ben een projectiescherm […]’, luidt een regel uit het tweede gedicht, het gedicht waar Sjaka in wordt geïntroduceerd. Dat kan niets anders betekenen dan dat Sjaka zelf leeg is. Ik heb Schaffer nooit een religieus dichter gevonden. Maar in het op een na laatste gedicht, ‘dagdroom #0’, Sjaka is dan al dood, begint een ik-figuur te bidden. Het gedicht eindigt met de prachtige regel: ‘Ik zocht naar U maar vond geen tegenstand.’ Dat impliceert twee dingen, namelijk dat men God ervaart in de tegenstand, en, ten tweede, dat die tegenstander er niet (meer) is. Is God er niet? Of ervaren we God alleen nog als niet-zijn, als leegte?

zondag 16 februari 2014

Notities #100-103

100) Voor ‘Coast to coast’, dat verscheen op wat zijn postume cd From a basement on a hill (2004) zou worden, vroeg Elliott Smith een bevriend dichter, Nelson Gary, een gedicht te schrijven over zelfgenezing, of de onmogelijkheid daarvan. Het werd ‘Exile in Paradise’s Tourmaline’, een prachtige opname van dat gedicht is te horen in de begeleiding van ‘Coast to coast’, Gary publiceerde het in zijn bundel Queen Maeve’s Boneyard (2008).

Gary’s roerende relaas deed me denken aan een opmerking van een andere vriend van Smith, Sean Croghan, in het cd boekje van een andere postume release, New Moon (2007). Croghan verzet zich tegen het beeld van de depressieve Smith dat na diens zelfmoord is ontstaan. Elliott Smith was een gewone kerel, zegt Croghan, met zijn goede en slechte kanten, en zijn goede en slechte buien. Smiths zelfmoord, en de teksten die daar naar vooruit lijken te wijzen, lijken Croghan tegen te spreken. Maar de depressieve teksten waren volgens Croghan gewoon in de mode in de scene waar Smith zich in bevond.

101) ‘Coast to coast’ gaat over een ‘circuit rider‘, een rondreizende predikant zoals die in de Verenigde Staten van de 19de eeuw actief waren. Dat deed me denken aan het indrukwekkende reisverslag van Otto Rahn, die in de jaren ‘30 een zoektocht naar de Heilige Graal ondernam en deze reis in een bonte collage van religieuze geschiedenis, Bijbelteksten, mythen, sprookjes en liederen beschrijft. Het resulteert in het erudiete, poëtische en ook grimmige Lucifer’s Court (1936, ik lees het in Engelse vertaling). Indrukwekkend is hoe hij ook de ‘fictieve’ werken als reële werkelijkheid behandelt.

Het is treurig dat Rahn toen, in 1936, door Himmler was ingelijfd in de SS, met als opdracht de superioriteit van het Germaanse ras wetenschappelijk te onderbouwen. Het boek wordt ontsierd door enkele passages waarin Rahn de wens uitspreekt dat de Joodse cultuur voorgoed uit Europa zal verdwijnen - duidelijk opgeschreven uit lijfsbehoud omdat elk verband met de rest van het boek ontbreekt. Vlak voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd Rahn ontslagen uit de SS, of nam hij ontslag. Hij werd niet lang daarna gevonden op een berg, doodgevroren. Algemeen wordt aangenomen dat hij zelfmoord pleegde, al dan niet onder dwang van de SS.

102) In zijn studie God en geweld behandelt René Girard het rituele offer. Dit was bedoeld om de behoefte aan wraak te kanaliseren, om zodoende te voorkomen dat een misdaad kon leiden tot escalatie van het geweld. Ons huidige rechtssysteem bevredigt diezelfde behoefte aan wraak. In primitieve culturen werd geweld gezien als een besmettelijke ziekte. Het geofferde dier of mens mocht dan niet d.m.v. geweld worden omgebracht maar werd dan bijvoorbeeld op een berg achtergelaten. Het is verleidelijk, maar misschien wat al te romantisch - en hoe dan ook historisch onjuist - in dit verband te wijzen op de dood van Rahn.

103) Girard wijst op het ‘nauwe verband tussen sexualiteit en geweld’, die zich uit in tal van overeenkomsten en die door zo’n beetje alle religies wordt onderkend. Merkwaardig is dat hij hierbij alleen het seksueel geweld noemt (verkrachting, incest) en niet seks als zodanig. Daar laat Girard m.i. na de consequentie te trekken uit hetgeen hij zelf schreef.

zaterdag 15 februari 2014

Citaat 15 februari 2014

Zij kozen met plechtige gezichten hun wijn, vouwden hun servet open en hadden het gevoel, zoals zij daar lekker warm met zijn tweeën zaten, onder het roken van een sigaret die zij een moment later, na er nauwelijks een paar trekjes van genomen te hebben, uit zouden maken wanneer het voorgerecht arriveerde, dat hun leven slechts de onuitputtelijke som van die fortuinlijke momenten was en dat zij altijd gelukkig zouden zijn, omdat zij verdienden het te zijn, omdat zij voor alles open wisten te blijven staan, omdat het geluk in hen huisde.

- Georges Perec (1936 - 1982)
Uit: De dingen (1965), vert. Edu Borger

zondag 2 februari 2014

Notitie #99

Iets kan er wel slordig uitzien, zoals hier op tafel nu: bloemen, papieren, koffiekopjes. Maar toch kan het niet beter dan zoals het is. Het is gewoon zo. Dus dan schrijf ik op: “Toch is hun schikking juist.” Maar als ik nu dit doe [hij verschuift het bloemenvaasje dertig centimeter] dat is niet fout, dus schrijf ik: “Verplaats er een en het is opnieuw juist.” Daar is niets tegenin te brengen!

Aldus K.Schippers in een interview met Bertram Mourits in de Poëziekrant. Nee, natuurlijk is daar niets tegenin te brengen: ‘juist’ en ‘onjuist’ zijn begrippen die op deze situatie niet van toepassing zijn; Schippers zegt het zelf: ‘Het is gewoon zo’. Tenzij je de hele werkelijkheid als een compositie opvat, en dat lijkt hier het geval; het fragment is een antwoord op een vraag over conceptuele kunst en een dergelijk antwoord past ook goed bij de opvattingen van Barbarber. Het citaat uit Buiten beeld dat volgt onderstreept dit:

misschien zijn het
facetten van iets dat zich
voortzet op de wereld, ‘t geheel
onttrekt zich aan je gezicht

Maar als de hele wereld, de hele werkelijkheid een compositie is, doet zich - naast de vraag van wie of wat deze compositie is, en welk doel deze dient - de vraag voor wat deze observatie waard is. Elke constellatie is immers ‘juist’.

Of bedoelt Schippers dat (conceptuele) kunst in zijn opvatting niets anders doet dan (een deel van) de (waarneembare) werkelijkheid weer te geven? In dat geval maakt de kunstenaar een keuze: geef ik (bijvoorbeeld) de tafel weer in de oorspronkelijke constellatie of met het bloemenvaasje dertig centimeter naar links? Daarvan is de consequentie dat hij de vraag naar de ‘juistheid’ van de compositie introduceert, want hij kan onmogelijk alle mogelijke opstellingen weergeven.