378) Claude Monet schilderde een belangrijk deel van zijn waterlelies tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl rond zijn tuin in Giverny de gewonde soldaten werden verpleegd. Een verbijsterend gegeven, niet in de laatste plaats voor hemzelf. De omstandigheden zijn natuurlijk niet te vergelijken, maar ik begrijp hem deze dagen beter. Het is geen escapisme. Het is overleven.
379) Op Facebook meegedaan aan een spelletje: plaats 10 covers van albums die belangrijk zijn geweest voor de ontwikkeling van je muzikale smaak. Leuk om te doen, maar ik realiseerde me al snel dat mijn lijst vrijwel uitsluitend bestaat uit witte mannen. Dat zegt iets over de cultuur waarin ik ben opgegroeid, maar ook over mezelf. Meer precies: wie ik ben. Een pijnlijke constatering.
vrijdag 1 mei 2020
zaterdag 25 april 2020
Notitie #377
Gesprek (via chat) met JvL, o.a. naar aanleiding van een filmpje waarop Beatles-producer George Martin op bezoek gaat bij Beach Boy Brian Wilson, als onderdeel van zijn zoektocht naar, als ik het goed heb begrepen (ik ken de serie niet), de bestanddelen van een goede melodie.
Wat maakt een melodie 'mooi'? Daar is vast literatuur over. Mij lijkt het antwoord in eerste instantie te liggen in een overeenkomst tussen zingen en praten. Ik weet eigenlijk niet of de mens eerst praatte en daarna, om het palet aan uitdrukkingsmogelijkheden te verrijken, begon te zingen, of andersom: dat de mens eerst begon te zingen en vervolgens, om directer te kunnen communiceren, de spreektaal ontwikkelde. Waarschijnlijk geen van beide, en ontwikkelden spraak en zang zich gelijktijdig. Hoe dan ook, er hoeft volgens mij geen discussie over te zijn dat zang/muziek een 'diepere' vorm van communicatie is dan spraak.
Poëzie bevindt zich ergens in het middengebied tussen spreektaal, geschreven taal, zang, geluiden in het algemeen en beelden. Het frustrerende, schreef ik JvL, is dat poëzie dit allemaal niet is. Althans, het is dat niet in de context waarin het moet functioneren: een gedicht wordt gepubliceerd op papier (of op een scherm) en is dus (uitsluitend) geschreven taal; of een gedicht wordt voorgelezen op een podium en is dan in het beste geval een gemankeerd muziekstuk (ik bedoel: een kunstwerk dat altijd dichter bij de ratio zit dan muziek, een kunstwerk dat iets zegt en niet primair iets is).
Het gevoel van onmacht dat me bij het schrijven van poëzie vaak overvalt is hier misschien uit te verklaren. Een poëzie die als al het andere waarneembare wordt ervaren, wordt niet primair opgeschreven.
Wat maakt een melodie 'mooi'? Daar is vast literatuur over. Mij lijkt het antwoord in eerste instantie te liggen in een overeenkomst tussen zingen en praten. Ik weet eigenlijk niet of de mens eerst praatte en daarna, om het palet aan uitdrukkingsmogelijkheden te verrijken, begon te zingen, of andersom: dat de mens eerst begon te zingen en vervolgens, om directer te kunnen communiceren, de spreektaal ontwikkelde. Waarschijnlijk geen van beide, en ontwikkelden spraak en zang zich gelijktijdig. Hoe dan ook, er hoeft volgens mij geen discussie over te zijn dat zang/muziek een 'diepere' vorm van communicatie is dan spraak.
Poëzie bevindt zich ergens in het middengebied tussen spreektaal, geschreven taal, zang, geluiden in het algemeen en beelden. Het frustrerende, schreef ik JvL, is dat poëzie dit allemaal niet is. Althans, het is dat niet in de context waarin het moet functioneren: een gedicht wordt gepubliceerd op papier (of op een scherm) en is dus (uitsluitend) geschreven taal; of een gedicht wordt voorgelezen op een podium en is dan in het beste geval een gemankeerd muziekstuk (ik bedoel: een kunstwerk dat altijd dichter bij de ratio zit dan muziek, een kunstwerk dat iets zegt en niet primair iets is).
Het gevoel van onmacht dat me bij het schrijven van poëzie vaak overvalt is hier misschien uit te verklaren. Een poëzie die als al het andere waarneembare wordt ervaren, wordt niet primair opgeschreven.
maandag 20 april 2020
Citaat 20 april 2020
Words are beautiful but restricted. They're very masculine, with a compact frame. But voice is over the dark, the place where there's nothing to hang on: it comes from a part of yourself that simply knows, expresses itself, and is.
- Jeff Buckley (1966-1997)
- Jeff Buckley (1966-1997)
zaterdag 1 februari 2020
Notitie #376
Zojuist las ik in een eetcafé het slot van Joan Didions Blue Nights. Het greep me onverwacht aan, wat in die situatie een beetje onhandig was. Het boek heeft meer ontroerende passages, maar een groot deel leest ook als een klaagzang op het ouder worden. Als een verzet tegen een open deur: de vergankelijkheid. De slotalinea maakt er een hartverscheurende liefdesverklaring van: aan het leven, aan de verbeelding. En aan haar dochter.
Blue Nights wordt gepresenteerd als een memoir n.a.v. het (in 2005 op 39-jarige leeftijd) overlijden van haar (geadopteerde) dochter Quintana Roo, en dat is het ook, maar in dat opzicht is het beperkt. Didion portretteert haar dochter niet, en hoewel ze wel vragen stelt over de psyche van haar dochter, laat ze het dikwijls bij vragen. Het hele boek door bewandelt ze zijweggetjes: dat is noodgedwongen, vanwege het grote en bijzonder pijnlijke onderwerp. Ze benoemt het schuldgevoel over een gebrek aan aandacht toen haar dochter klein was, het gebrek aan inlevingsvermogen bij de demonen waar Quintana mee worstelde, allemaal menselijke tekortkomingen. Ook beschrijft ze nogal virtuoos haar eigen angsten, haar gezondheidsproblemen, haar manische werklust na het overlijden van haar man en dochter, etc., steeds met terugkerende zinnetjes - als houvast, lijkt wel.
Het beeld van de blauwe nachten is mooi gekozen: ze bedoelt er de blauwheid mee, die de avonden in New York aan het begin van de zomer hebben - tot het nacht wordt en het blauw is verdwenen, waar je zou willen dat die de hele nacht blijft. Om de leeservaring niet te bederven, zal ik de laatste zin van het boek hier niet citeren. Wel kan ik zeggen, dat het een prachtige paradox is. In de betreffende alinea betoogt ze dat de angst niet hetgeen betreft wat verloren is gegaan: dat is immers al verloren. De angst betreft hetgeen nog verloren kan gaan. Maar nu haar man en dochter dood zijn, kan ze met geen mogelijkheid nog een naam invullen op het formulier waar gevraagd wordt wie bij een noodgeval moet worden gewaarschuwd. Wat kan er nog verloren gaan? En dan komt die slotzin, waarin ze er in de eerste plaats in slaagt haar liefde voor haar dochter uit te drukken, en tegelijk stelt ze op een bepaalde manier, hoe tijdelijk ook, de vergankelijkheid en de dood buiten werking.
Blue Nights wordt gepresenteerd als een memoir n.a.v. het (in 2005 op 39-jarige leeftijd) overlijden van haar (geadopteerde) dochter Quintana Roo, en dat is het ook, maar in dat opzicht is het beperkt. Didion portretteert haar dochter niet, en hoewel ze wel vragen stelt over de psyche van haar dochter, laat ze het dikwijls bij vragen. Het hele boek door bewandelt ze zijweggetjes: dat is noodgedwongen, vanwege het grote en bijzonder pijnlijke onderwerp. Ze benoemt het schuldgevoel over een gebrek aan aandacht toen haar dochter klein was, het gebrek aan inlevingsvermogen bij de demonen waar Quintana mee worstelde, allemaal menselijke tekortkomingen. Ook beschrijft ze nogal virtuoos haar eigen angsten, haar gezondheidsproblemen, haar manische werklust na het overlijden van haar man en dochter, etc., steeds met terugkerende zinnetjes - als houvast, lijkt wel.
Het beeld van de blauwe nachten is mooi gekozen: ze bedoelt er de blauwheid mee, die de avonden in New York aan het begin van de zomer hebben - tot het nacht wordt en het blauw is verdwenen, waar je zou willen dat die de hele nacht blijft. Om de leeservaring niet te bederven, zal ik de laatste zin van het boek hier niet citeren. Wel kan ik zeggen, dat het een prachtige paradox is. In de betreffende alinea betoogt ze dat de angst niet hetgeen betreft wat verloren is gegaan: dat is immers al verloren. De angst betreft hetgeen nog verloren kan gaan. Maar nu haar man en dochter dood zijn, kan ze met geen mogelijkheid nog een naam invullen op het formulier waar gevraagd wordt wie bij een noodgeval moet worden gewaarschuwd. Wat kan er nog verloren gaan? En dan komt die slotzin, waarin ze er in de eerste plaats in slaagt haar liefde voor haar dochter uit te drukken, en tegelijk stelt ze op een bepaalde manier, hoe tijdelijk ook, de vergankelijkheid en de dood buiten werking.
maandag 30 december 2019
Notities #374-375
374) Dada is, aldus Dawn Ades, als reactie op de Eerste Wereldoorlog een afwijzing van de maatschappij en als zodanig ook een afwijzing van de kunst van die tijd. De afwijzing van bijvoorbeeld de urinoir van Duchamp is tegelijk een affirmatie: alles is kunst. Kunst heft zich op en bevestigt in die handeling tegelijk haar relevantie.
Een beweging die overigens niet is voorbehouden aan Dada: tegenwoordig neemt veel kunst diezelfde positie in en daarvóór vond dezelfde, of een vergelijkbare beweging óók plaats, zodanig dat het zelfs een cliché is: kunstenaars zijn outsiders. Impliciet of expliciet verhoudt de kunstenaar zich kortom altijd tot de maatschappij (de omgeving, de context waarin die kunst wordt gemaakt) en hij of zij moet zich daar (impliciet of expliciet) rekenschap van geven.
375) Anna-Karin Palm interpreteert in haar inleiding bij On being an angel het werk van Francesca Woodman, terecht, met name feministisch. De vrouwfiguur in 'From Space' wil verdwijnen achter het behang (of: erachter vandaan tevoorschijn komen?): een transformatie/camouflage, vergelijkbaar met die van Daphne die in een boom verandert. Een, met name in het licht van haar zelfmoord (in 1981, op 22-jarige leeftijd), huiveringwekkend, maar ergens ook troostend beeld. Het is een zijn in een niet-zijn.
In een 'Untitled' hangt ze aan een deurpost, als een gekruisigde Christus: als een offer dus. Maar Palm merkt terecht op dat ze daar duidelijk uit eigen beweging is gaan hangen: She's floating freely, hanging by her strong, straight arms, and maybe she is secretly smiling behind her left sleeve.
Een beweging die overigens niet is voorbehouden aan Dada: tegenwoordig neemt veel kunst diezelfde positie in en daarvóór vond dezelfde, of een vergelijkbare beweging óók plaats, zodanig dat het zelfs een cliché is: kunstenaars zijn outsiders. Impliciet of expliciet verhoudt de kunstenaar zich kortom altijd tot de maatschappij (de omgeving, de context waarin die kunst wordt gemaakt) en hij of zij moet zich daar (impliciet of expliciet) rekenschap van geven.
375) Anna-Karin Palm interpreteert in haar inleiding bij On being an angel het werk van Francesca Woodman, terecht, met name feministisch. De vrouwfiguur in 'From Space' wil verdwijnen achter het behang (of: erachter vandaan tevoorschijn komen?): een transformatie/camouflage, vergelijkbaar met die van Daphne die in een boom verandert. Een, met name in het licht van haar zelfmoord (in 1981, op 22-jarige leeftijd), huiveringwekkend, maar ergens ook troostend beeld. Het is een zijn in een niet-zijn.
In een 'Untitled' hangt ze aan een deurpost, als een gekruisigde Christus: als een offer dus. Maar Palm merkt terecht op dat ze daar duidelijk uit eigen beweging is gaan hangen: She's floating freely, hanging by her strong, straight arms, and maybe she is secretly smiling behind her left sleeve.
maandag 25 november 2019
Notitie #373
Heftig boek: Boris Vians Ik zal spuwen op jullie graf. Als wraak voor de moord op zijn jongere broer, die vanwege zijn relatie met een blanke vrouw door racisten is omgebracht, vermoordt Lee Anderson twee (minderjarige) dochters (Lou en Jean) uit een vooraanstaande, blanke en racistische familie (het verhaal speelt in 1941).
Die dubbele moord voert hij bijzonder wreed uit, de voorbereiding is niet minder wreed. Hij gaat met beide meisjes, zonder dat ze dit van elkaar weten, een seksuele relatie aan (zelf heeft hij maar voor een achtste zwart bloed en ziet hij er dus blank uit), waarbij hij één van hen zwanger maakt. Het boek werd bij publicatie in 1946 (Vian publiceerde het onder het pseudoniem Vernon Sullivan) met name verboden vanwege de pornografische beschrijvingen. De seks is dan ook verre van zachtzinnig en ik zou die in de meeste gevallen kwalificeren als verkrachting. Toch is dit voor beide meisjes geen reden de relatie te verbreken. Integendeel, lijkt het wel.
Huiveringwekkende psyche: hij vermoordt twee minderjarige meisjes die feitelijk niets met de dood van zijn jongere broer te maken hebben: het is een wraak op de blanke gemeenschap. Het seksuele domein maakt hier een wezenlijk onderdeel van uit. Geilheid is hier het voorstadium van bloeddorst. De (gewelddadige) dood ligt in dit boek in het verlengde van de (gewelddadige) seks. Maar ook klassieker: geslachtsdrift als doodsdrift. De jongste zus, Jean, is volkomen apathisch op het moment dat ze, na een heftige vrijpartij, wordt vermoord.
Die dubbele moord voert hij bijzonder wreed uit, de voorbereiding is niet minder wreed. Hij gaat met beide meisjes, zonder dat ze dit van elkaar weten, een seksuele relatie aan (zelf heeft hij maar voor een achtste zwart bloed en ziet hij er dus blank uit), waarbij hij één van hen zwanger maakt. Het boek werd bij publicatie in 1946 (Vian publiceerde het onder het pseudoniem Vernon Sullivan) met name verboden vanwege de pornografische beschrijvingen. De seks is dan ook verre van zachtzinnig en ik zou die in de meeste gevallen kwalificeren als verkrachting. Toch is dit voor beide meisjes geen reden de relatie te verbreken. Integendeel, lijkt het wel.
Huiveringwekkende psyche: hij vermoordt twee minderjarige meisjes die feitelijk niets met de dood van zijn jongere broer te maken hebben: het is een wraak op de blanke gemeenschap. Het seksuele domein maakt hier een wezenlijk onderdeel van uit. Geilheid is hier het voorstadium van bloeddorst. De (gewelddadige) dood ligt in dit boek in het verlengde van de (gewelddadige) seks. Maar ook klassieker: geslachtsdrift als doodsdrift. De jongste zus, Jean, is volkomen apathisch op het moment dat ze, na een heftige vrijpartij, wordt vermoord.
zaterdag 2 november 2019
Notities #370-372
370) In zijn bespreking van Bill Viola's Five Angels For The Millenium (2001), in Haai op sterk water (2003), hekelt August Hans den Boef het 'ietsisme': [...] het halfslachtige, volstrekt persoonlijke en daardoor schijnbaar willekeurige ervan. Maar wat is dan het alternatief? Iets dat absoluut is, algemeen geldt en waar niet aan getwijfeld kan worden? Dan ben ik een overtuigd 'ietsist'. Sterker: dan is iedereen 'ietsist', al bekent niet iedereen dat voor zichzelf.
371) Den Boef stelt dat Viola zich met het water aan 'de rand van de pathos' begeeft (alsof daar iets mis mee zou zijn). Anderhalve pagina later concludeert hij dat Five Angels For The Millenium een werk is over 'de menselijke onmacht om de eigen genzen te ervaren'. Wat betekent dat? Hij trekt de conclusie, ironisch genoeg, in de context van een notie van Bataille: die stelde inderdaad dat de mens niet meer in staat is religieuze gevoelens te ervaren, maar Den Boef laat buiten beschouwing dat Bataille de oplossing zocht in het grensoverschrijdende.
Zijn overige opmerkingen ('Zou God niet de sensatie kunnen zijn dat tijd en ruimte in je hoofd samenvallen - meer een fysieke ervaring dan een geestelijke?') verraden een verbazingwekkend gebrek aan gevoel voor het religieuze. Hij kan met zijn conclusie immers ook bedoelen dat de 'eigen' grenzen buiten het menselijke bereik liggen, maar daarvoor zijn zijn kunstopvattingen volgens mij te begrensd.
372) Als hij de 'vrouwenfoto's van Paul Kooiker' bespreekt, heeft Den Boef het zonder terughouding over 'lelijke' foto's, 'weerzinwekkend', 'vreselijk', waarbij het nog niet eens zozeer over de techniek heeft, maar vooral over het onderwerp: 'vrouwen bij wie het vet om het lichaam gulpt'. Met geen woord problematiseert hij die 'lelijkheid', al dan niet in relatie tot het willen 'behagen van de toeschouwer' waar hij het m.b.t. fotografie in het algemeen over heeft. Daarmee sluit hij zich voetstoots aan bij de heersende opvattingen over schoonheid, terwijl Kooiker volgens mij precies die in twijfel wil trekken.
371) Den Boef stelt dat Viola zich met het water aan 'de rand van de pathos' begeeft (alsof daar iets mis mee zou zijn). Anderhalve pagina later concludeert hij dat Five Angels For The Millenium een werk is over 'de menselijke onmacht om de eigen genzen te ervaren'. Wat betekent dat? Hij trekt de conclusie, ironisch genoeg, in de context van een notie van Bataille: die stelde inderdaad dat de mens niet meer in staat is religieuze gevoelens te ervaren, maar Den Boef laat buiten beschouwing dat Bataille de oplossing zocht in het grensoverschrijdende.
Zijn overige opmerkingen ('Zou God niet de sensatie kunnen zijn dat tijd en ruimte in je hoofd samenvallen - meer een fysieke ervaring dan een geestelijke?') verraden een verbazingwekkend gebrek aan gevoel voor het religieuze. Hij kan met zijn conclusie immers ook bedoelen dat de 'eigen' grenzen buiten het menselijke bereik liggen, maar daarvoor zijn zijn kunstopvattingen volgens mij te begrensd.
372) Als hij de 'vrouwenfoto's van Paul Kooiker' bespreekt, heeft Den Boef het zonder terughouding over 'lelijke' foto's, 'weerzinwekkend', 'vreselijk', waarbij het nog niet eens zozeer over de techniek heeft, maar vooral over het onderwerp: 'vrouwen bij wie het vet om het lichaam gulpt'. Met geen woord problematiseert hij die 'lelijkheid', al dan niet in relatie tot het willen 'behagen van de toeschouwer' waar hij het m.b.t. fotografie in het algemeen over heeft. Daarmee sluit hij zich voetstoots aan bij de heersende opvattingen over schoonheid, terwijl Kooiker volgens mij precies die in twijfel wil trekken.
Abonneren op:
Posts (Atom)


