Volgens Friedrich Wilhelm Schelling, lees ik bij Safranski, is God het alomvattende begrip van het hele zijn. De grond (de oorsprong, en de substantie) van God kan dus niets anders zijn dan Hijzelf. Schelling gaat echter een stap verder door te beweren dat God zijn grond heeft in wat in God zelf niet God zelf is. Hij heeft het in dit verband over de afgrond van God, waaruit de nog onvoltooide, zich ontwikkelende God als in een natuurproces evolueert.
De notie van wat in God zelf niet God is doet wat geforceerd aan, maar komt wonderlijk overeen met het gat in de zon van Bataille, wat ik een sterk beeld van het kwaad vind. Het idee dat God aan ontwikkeling onderhevig is, spreekt me aan.
Safranski merkt in zijn behandeling van Schelling op: “[Schelling] vertelt ons ook over een God die op zoek is naar zichzelf. Een God wiens zelfwording tegelijk een waar-wording van de natuur is, een ontluiken van de natuur tot haar ware gedaante, zoals een bloem ‘ontluikt’. De schepping is dus niet in den beginne al goed, maar ze moet het nog worden. En daarbij geldt het principe: “Als iets goeds niet iets overwonnen kwaads in zich bergt, is het geen reëel en levend goed.”’
zondag 15 september 2013
donderdag 5 september 2013
Notities #80-82
80) Bij het redigeren van mijn manuscript moet ik vaak aan Luceberts beruchte ‘sonnet’ denken: ik/ ik/ mij// mij/ mij/ ik. Ten onrechte, weet ik. De ‘ik’ in mijn gedichten is niet ik, ik schep de ‘ik’ naar mijn evenbeeld.
81) Geloof, religie en fundamentalisme. Dat zijn drie verwante, maar verschillende zaken. In sommige passages van zijn memoires Joseph Anton lijkt Salman Rushdie die drie op een hoop te gooien. In zijn kritiek op de islam schuift hij soms angstwekkend dicht bij Geert Wilders aan. Maar vaker heeft hij dat onderscheid heel scherp. De memoires verzanden soms in details maar zijn toch interessant leesvoer. De aanvankelijke reactie van de westerse wereld op de fatwa is onthutsend en is in deze post-9/11-tijd eigenlijk nauwelijks meer voor te stellen. Terecht noemt Rushdie de geschiedenis met de fatwa de ‘proloog’ van 9/11.
Religieus geweld is voor mij onbegrijpelijk. Zelfs als je niet gelooft in een god van liefde maar een oudtestamentische wrekende god, is het goddelozer om die wraak van God zélf uit te voeren.
82) Opvallend hoe juist de grapjes in de muziek van Regina Spektor het meest ontroerend zijn. Het laat zien dat de beste kunst spelend wordt gemaakt: wat niet in ernst wordt opgeschreven is vaak het ernstigste.
81) Geloof, religie en fundamentalisme. Dat zijn drie verwante, maar verschillende zaken. In sommige passages van zijn memoires Joseph Anton lijkt Salman Rushdie die drie op een hoop te gooien. In zijn kritiek op de islam schuift hij soms angstwekkend dicht bij Geert Wilders aan. Maar vaker heeft hij dat onderscheid heel scherp. De memoires verzanden soms in details maar zijn toch interessant leesvoer. De aanvankelijke reactie van de westerse wereld op de fatwa is onthutsend en is in deze post-9/11-tijd eigenlijk nauwelijks meer voor te stellen. Terecht noemt Rushdie de geschiedenis met de fatwa de ‘proloog’ van 9/11.
Religieus geweld is voor mij onbegrijpelijk. Zelfs als je niet gelooft in een god van liefde maar een oudtestamentische wrekende god, is het goddelozer om die wraak van God zélf uit te voeren.
82) Opvallend hoe juist de grapjes in de muziek van Regina Spektor het meest ontroerend zijn. Het laat zien dat de beste kunst spelend wordt gemaakt: wat niet in ernst wordt opgeschreven is vaak het ernstigste.
zaterdag 24 augustus 2013
Citaat 24 augustus 2013
In elk geval kan een wezen dat 'nee' zegt en de ervaring van het niets kent, ook voor de vernietiging kiezen. De filosofische traditie spreekt in verband met deze precaire situatie van de mens over een 'gebrek aan zijn'. Uit de ervaring van dit gebrek ontspringen vermoedelijk ook de religies. Als er wijsheid is in die religies, vertegenwoordigen zij een god die de mensen bevrijdt van de last om alles voor elkaar te moeten zijn.
- Rüdiger Safranski (1945)
Uit: Het kwaad, of het drama van de vrijheid (1998), vert. Mark Wildschut
- Rüdiger Safranski (1945)
Uit: Het kwaad, of het drama van de vrijheid (1998), vert. Mark Wildschut
zondag 18 augustus 2013
Notitie #79
Dit mooie interview kende ik nog niet. Het laat duidelijk zien hoe de eerste, avantgardistische soloplaten van John Lennon en Yoko Ono, Two Virgins en Life with the Lions, werden ontvangen: lacherig. Ik vind hun lef (met name dat van Lennon, die immers een groter publiek te verliezen had) en, wanneer ze over ‘peace’ praten, hun bevlogenheid bewonderenswaardig.
Het verbaast me dat Lennon de interviewer niet voorhield dat hij op de verkeerde manier luisterde, dat hij geen Beatleliedje of rock & roll moest verwachten maar muziek van een heel andere orde. Hij is duidelijk geïrriteerd en een dergelijk antwoord was de simpelste verdediging geweest. Nam hij zijn publiek te serieus? Stond hij er niet bij stil dat men Beatlemuziek van hem verwachtte? Of verdomde hij het gewoonweg zijn muziek tegen dit soort onbegrip te verdedigen?
Het verbaast me dat Lennon de interviewer niet voorhield dat hij op de verkeerde manier luisterde, dat hij geen Beatleliedje of rock & roll moest verwachten maar muziek van een heel andere orde. Hij is duidelijk geïrriteerd en een dergelijk antwoord was de simpelste verdediging geweest. Nam hij zijn publiek te serieus? Stond hij er niet bij stil dat men Beatlemuziek van hem verwachtte? Of verdomde hij het gewoonweg zijn muziek tegen dit soort onbegrip te verdedigen?
donderdag 8 augustus 2013
Notitie #78
Waarom is de vrolijke pretentieloosheid van de eerste cd van She & Him (Volume 1, 2008) zo geweldig, en die van hun derde (Volume 3, 2013) zo drakerig? Ten eerste omdat pretentieloosheid op zichzelf heel fijn is, maar consequent volgehouden pretentieloosheid is irritant.
Maar dat is niet het hele verhaal. De zonnige, vrolijke muziek was op hun debuut volkomen natuurlijk, en hoewel het geen ironische plaat is, werden de liedjes vaak wel met een zekere knipoog uitgevoerd. Een fragiele balans, maar de cd overtuigde vanwege de mooie liedjes, de grappige koortjes, het duidelijke plezier van de muzikanten - en omdat de lading van de liedjes (juist door de knipoogjes) geloofwaardig was.
Op Volume 2 (2010) verloor het duo (Zooey Deschanel en M.Ward) naar mijn idee de onbevangenheid; de arrangementen werden een beetje pompeus en de liedjes klonken minder spontaan. De cd werd gered door een aantal sterke nummers. Op deze derde cd is de spontaniteit helemaal verdwenen. Deschanel en Ward lijken zich te bewust van hun kracht, het is een foefje geworden. Het is een geforceerde vrolijkheid die de hele cd lang een beetje misplaatst lijkt. Hier begint zich te wreken dat Deschanel ook actrice is: ze houdt vast aan haar rol. Maar het personage ontwikkelt zich niet.
Maar dat is niet het hele verhaal. De zonnige, vrolijke muziek was op hun debuut volkomen natuurlijk, en hoewel het geen ironische plaat is, werden de liedjes vaak wel met een zekere knipoog uitgevoerd. Een fragiele balans, maar de cd overtuigde vanwege de mooie liedjes, de grappige koortjes, het duidelijke plezier van de muzikanten - en omdat de lading van de liedjes (juist door de knipoogjes) geloofwaardig was.
Op Volume 2 (2010) verloor het duo (Zooey Deschanel en M.Ward) naar mijn idee de onbevangenheid; de arrangementen werden een beetje pompeus en de liedjes klonken minder spontaan. De cd werd gered door een aantal sterke nummers. Op deze derde cd is de spontaniteit helemaal verdwenen. Deschanel en Ward lijken zich te bewust van hun kracht, het is een foefje geworden. Het is een geforceerde vrolijkheid die de hele cd lang een beetje misplaatst lijkt. Hier begint zich te wreken dat Deschanel ook actrice is: ze houdt vast aan haar rol. Maar het personage ontwikkelt zich niet.
dinsdag 23 juli 2013
Notities #76-77
76) ‘Een feestelijke interpretatie van het impressionisme’, zo wordt het werk van Rik Wouters in het Schepenmuseum in Mechelen getypeerd. Dat klopt, veel van zijn schilderijen zijn uitingen van puur plezier in vorm en kleur, en van puur geluk (wanneer hij zijn geliefde Nel portretteerde). Het is dan ook tragisch te bedenken dat hij in 1916 op jonge leeftijd (34) is overleden, aan kanker in zijn bovenkaak - nog vóór hij zijn talent helemaal had kunnen ontplooien.
Met name bij ‘Herfst’ heb ik lang staan kijken. Op het eerste gezicht is het een dagelijks tafereel: de schilder staat aan het raam, zijn vrouw komt thuis van een wandeling of een boodschap en begroet hem door het geopende raam. Maar als je wat beter kijkt, klopt er maar weinig. Het naar binnen geopende raam kan niet meer worden gesloten omdat het stilleven met fruitschaal en plant in de weg staat. Het gordijn is ook nogal onhandig langs de binnenkant van het geopende raam gedrapeerd. In het raam zien we de spiegeling van een huis dat we niet zien als we gewoon naar buiten kijken. De armen van de geliefde (Nel) zijn buitenproportioneel groot, net als de herfstbomen op het achtergrond: het is welhaast een bombardement van herfstkleuren.
Toch doet dit allemaal geen afbreuk aan de schoonheid van het schilderij; integendeel, juist deze details versterken de sensatie. Wie de werkelijkheid getrouw wil weergeven moet haar vervormen.
77) De geloofwaardigheid van het relaas van Thomas B. Allen in zijn Bezeten door de duivel wordt juist door de nauwgezetheid onderuit gehaald. Het boek pretendeert het ware verhaal te vertellen waar de film The exorcist op is gebaseerd.
Allen beweert een kopie van het dagboek van een van de betrokken priesters in het bezit te hebben en verder baseert hij zich naar eigen zeggen op gesprekken met betrokkenen. Het verhaal wordt heel gedetailleerd verteld; hier en daar worden ons details onthouden omdat Allen beweert dat het dagboek hier geen mededelingen over doet. Merkwaardig is dat de demon geen ander doel lijkt te hebben dan bezit te nemen van het lichaam van het jongetje en deze bezetenheid te demonstreren; merkwaardig ook dat de demon zich volledig gedraagt naar de rooms katholieke doctrine - en dat na een lange, lange lijdensweg aartsengel Michaël (een witte gedaante met een zwaard) eraan te pas moet komen om de demon te verdrijven. Waarom moest dat zo lang duren? Zat de aartsengel echt op het juiste gebed te wachten? De grote nadruk die auteur en uitgever in de tekst en op de flap leggen op de geloofwaardigheid van het verhaal bereiken precies het tegenovergestelde.
donderdag 18 juli 2013
Notitie #75
In het MACBA in Barcelona loopt nu de tentoonstelling rond ‘Anabases', het project van de Amerikaans - Franse kunstenaar Eric Baudelaire waarin de voormalige leidster van het Japanse Red Army, Fusako Shigenobu, centraal staat. Shigenobu is verantwoordelijk voor een groot aantal terroristische aanslagen, ze heeft jarenlang ondergedoken gezeten in Libanon, alwaar haar dochter May is geboren. Toen Fusako naar Japan terugkeerde, naar eigen zeggen omdat ze het geweld afzwoer en op een vreedzame manier haar doelen wilde bereiken, werd ze direct gearresteerd en tot levenslang veroordeeld. Haar dochter probeert onder een andere naam een zelfstandig leven op te bouwen. Het verhaal van de filmmaker Masao Adachi loopt enigszins parallel, hij mag - na een periode van onderduiken in Libanon - vanwege zijn betrokkenheid bij diverse terroristische acties Japan niet meer uit.
Het verhaal van de activiteiten en doelstellingen van het Japanse Red Army is complex. Na de aanvankelijke marxistische uitgangspunten werden ze halverwege de jaren ‘70 ook belangrijke voorvechters van de Palestijnse zaak. In die hoedanigheid heeft de Red Army o.a. een vliegtuigkaping en diverse aanslagen uitgevoerd.
Precair is dat Baudelaire de terroristen, simpelweg door ze te portretteren, een menselijk gezicht geeft. Zijn foto’s en installaties tonen Fusako toen ze zwanger was en verschillende familiekiekjes. Ik zag de foto’s voordat ik de film zag en dacht, toen ik bij de berichtgeving over haar arrestatie kwam, dat een onschuldige was gearresteerd. Adachi praat in de film over het plannen van een vliegtuigkaping als over het maken van een film.
‘Wij zijn geen monsters’, heeft Fusako kennelijk na haar arrestatie verklaard. Ik ben bereid een heel eind mee te gaan in de gedachte dat mensen met een bepaalde overtuiging zich soms gedwongen zien extreme middelen in te zetten. Toch lijkt ’monster’ een accurate beschrijving van iemand die onschuldige mensen vermoordt vanwege die overtuiging. Baudelaire wil precies die dubbelheid laten zien en dat is, zeker in deze tijd, bijzonder. Want wat als Fusako gelijk heeft met haar opmerking: wat zegt dat over ons?
Het verhaal van de activiteiten en doelstellingen van het Japanse Red Army is complex. Na de aanvankelijke marxistische uitgangspunten werden ze halverwege de jaren ‘70 ook belangrijke voorvechters van de Palestijnse zaak. In die hoedanigheid heeft de Red Army o.a. een vliegtuigkaping en diverse aanslagen uitgevoerd.
Precair is dat Baudelaire de terroristen, simpelweg door ze te portretteren, een menselijk gezicht geeft. Zijn foto’s en installaties tonen Fusako toen ze zwanger was en verschillende familiekiekjes. Ik zag de foto’s voordat ik de film zag en dacht, toen ik bij de berichtgeving over haar arrestatie kwam, dat een onschuldige was gearresteerd. Adachi praat in de film over het plannen van een vliegtuigkaping als over het maken van een film.
‘Wij zijn geen monsters’, heeft Fusako kennelijk na haar arrestatie verklaard. Ik ben bereid een heel eind mee te gaan in de gedachte dat mensen met een bepaalde overtuiging zich soms gedwongen zien extreme middelen in te zetten. Toch lijkt ’monster’ een accurate beschrijving van iemand die onschuldige mensen vermoordt vanwege die overtuiging. Baudelaire wil precies die dubbelheid laten zien en dat is, zeker in deze tijd, bijzonder. Want wat als Fusako gelijk heeft met haar opmerking: wat zegt dat over ons?
Abonneren op:
Posts (Atom)
