donderdag 18 juli 2013

Notitie #75

In het MACBA in Barcelona loopt nu de tentoonstelling rond ‘Anabases', het project van de Amerikaans - Franse kunstenaar Eric Baudelaire waarin de voormalige leidster van het Japanse Red Army, Fusako Shigenobu, centraal staat. Shigenobu is verantwoordelijk voor een groot aantal terroristische aanslagen, ze heeft jarenlang ondergedoken gezeten in Libanon, alwaar haar dochter May is geboren. Toen Fusako naar Japan terugkeerde, naar eigen zeggen omdat ze het geweld afzwoer en op een vreedzame manier haar doelen wilde bereiken, werd ze direct gearresteerd en tot levenslang veroordeeld. Haar dochter probeert onder een andere naam een zelfstandig leven op te bouwen. Het verhaal van de filmmaker Masao Adachi loopt enigszins parallel, hij mag - na een periode van onderduiken in Libanon - vanwege zijn betrokkenheid bij diverse terroristische acties Japan niet meer uit.

Het verhaal van de activiteiten en doelstellingen van het Japanse Red Army is complex. Na de aanvankelijke marxistische uitgangspunten werden ze halverwege de jaren ‘70 ook belangrijke voorvechters van de Palestijnse zaak. In die hoedanigheid heeft de Red Army o.a. een vliegtuigkaping en diverse aanslagen uitgevoerd.

Precair is dat Baudelaire de terroristen, simpelweg door ze te portretteren, een menselijk gezicht geeft. Zijn foto’s en installaties tonen Fusako toen ze zwanger was en verschillende familiekiekjes. Ik zag de foto’s voordat ik de film zag en dacht, toen ik bij de berichtgeving over haar arrestatie kwam, dat een onschuldige was gearresteerd. Adachi praat in de film over het plannen van een vliegtuigkaping als over het maken van een film.

‘Wij zijn geen monsters’, heeft Fusako kennelijk na haar arrestatie verklaard. Ik ben bereid een heel eind mee te gaan in de gedachte dat mensen met een bepaalde overtuiging zich soms gedwongen zien extreme middelen in te zetten. Toch lijkt ’monster’ een accurate beschrijving van iemand die onschuldige mensen vermoordt vanwege die overtuiging. Baudelaire wil precies die dubbelheid laten zien en dat is, zeker in deze tijd, bijzonder. Want wat als Fusako gelijk heeft met haar opmerking: wat zegt dat over ons?

woensdag 17 juli 2013

Citaat 17 juli 2013

Mahound's eyes open wide, he's seeing some kind of vision, staring at it, oh, that's right, Gibreel remembers, me. He's seeing me. My lips moving, being moved by. What, whom? Don't know, can't say. Nevertheless, here they are, coming out of my mouth, up my throat, past my teeth: the Words.

Being God's postman is no fun, yaar.
Butbutbut: God isn't in this picture.
God knows whose postman I've been.

- Salman Rushdie (1947)
Uit: The Satanic Verses (1988)

maandag 15 juli 2013

Notitie #74

Waarom nam Kenneth Goldsmith het overlijden van Michael Jackson op in zijn Seven American deaths and disasters?

In zijn ‘Afterword’ verklaart Goldsmith het ontbreken van o.a. Martin Luther King en Malcolm X uit het gegeven dat er geen pers aanwezig was bij die aanslagen - wat betekent dat pas achteraf verslag werd gedaan. En het ging Goldsmith nu juist om de berichtgeving tijdens de gebeurtenis, als tot de journalisten doordringt dat ze iets buitengewoons meemaken: de momenten waarop ‘the slick curtain of media was torn’ en de normaal gesproken zelfverzekerde verslaggevers en dj’s uit hun rol vallen: “[…]these DJ’s became ordinary citizens, more like guys in a bar than representatives of purported rationality and truth. […] Racism and xenophobia were rampant - somehow the DJ’s couldn’t help themselves.” - aldus Goldsmith.

Dit laatste citaat is een interessante observatie, maar… ik zie dat niet. De werkwijze van de journalisten tijdens de moord op Kennedy, bijvoorbeeld, zou ik integendeel heel transparant en integer willen noemen. (Wel is opvallend, met de latere complottheorieën in het achterhoofd, hoe ongelooflijk snel Lee Harvey Oswald als dader werd aangemerkt). En, ander voorbeeld, dat de journalist tijdens de ramp met de Challenger herhaaldelijk benadrukte dat een van de omgekomen astronauten zwart was, was relevant omdat hij de eerste zwarte astronaut in de ruimte zou zijn geweest.

De berichtgeving rond de dood van Jackson komt nog het meest in aanmerking voor bovenstaande beschrijving van Goldsmith: deze transcriptie leest eigenlijk als een anticlimax. Maar niet eens zozeer vanwege de borrelpraat waar de dj’s zich inderdaad nogal in verliezen, maar ook omdat de dood van Jackson vanaf het begin wordt gepresenteerd als nóg een sterfgeval (in dezelfde week overleden ook Ed McMahon en Farah Fawcett). Duidelijk is dat de sprekers niet zoveel hebben met Michael Jackson, al wordt er wel wat gekeuveld over zijn betekenis voor de muziek van de jaren ‘80 en zijn manier van dansen.

Deze transcriptie mist kortom duidelijk het drama dat de andere zes ‘deaths and disasters’ (de moorden op John F. Kennedy, Robert Kennedy en John Lennon en de ramp met de Challenger, de Columbine shooting en de aanslagen op 9/11) wél hebben. Als dat een statement van Goldsmith is, lijkt het verdacht veel op een ouwelullen-statement. De journalistiek is niet meer wat ze was - en de muziek ook niet. Ik neem aan dat dit onbedoeld is.

zondag 14 juli 2013

Notitie #73

Op de dag dat J. een herkenbaar blogje plaatste over de moeizame weg die het schrijven van een gedicht soms is, bezocht ik in Barcelona het Picassomuseum. In dat museum een zaal met studies voor Picasso’s versie van Las Meninas van Velasquez.

Alle werken in die zaal waren in het tijdsbestek van een week geschilderd; geen enkel schilderij was ‘af’ (want geen van de schilderijen was ondertekend), maar allemaal waren ze zo volmaakt als welke willekeurige kunstenaar had kunnen wensen.

Ergo: spontaniteit is bij het maken van kunst even belangrijk als technische vaardigheid. Om iets te maken moet je vooral doen. Maar ook: zelfs Picasso werd kennelijk gedreven door zelfkritiek.

dinsdag 2 juli 2013

Citaat 2 juli 2013

Writing songs is like writing books - you store little melodies/ words/ ideas etc in your mind and fish them out when you need them.

- John Lennon (1940-1980)
Uit: The John Lennon Letters (2012)

zondag 30 juni 2013

Notities #70-72

70) De mix tussen klassieke beelden en moderne thematiek heeft bij kunstenares Femmy Otten een bijzonder direct effect. Als het niet zo speels was, zou het agressief zijn.

71) De letterlijke weergave van nieuwsberichten, zoals Kenneth Goldsmith doet in Seven deaths and disasters laat de fictie van de nieuwsfeiten zien. Ik heb tot nu alleen nog het gedeelte over John Lennon gelezen, daarbij valt op hoe de diverse verslaggevers al op de fatale avond in bijna dezelfde bewoordingen vrijwel dezelfde bijzonderheden beschrijven (zo merkt bijna iedereen bijvoorbeeld op dat de titel van Lennons laatste single ‘Just Like Starting Over’ ironisch is). Dat betekent dus dat de verslaggevers elkaar napraten. En dat betekent weer dat de gebeurtenissen al direct mythe zijn geworden.

72) Op haar nieuwe cd Once I was an Eagle zingt Laura Marling veel over de duivel - voor zover ik nu kan beoordelen sluit deze duivel naadloos aan bij de traditie. De duivel is niet de verpersoonlijking van het kwaad, hij heeft vaak ook iets koddigs, heb ik het idee - zo zet C.S. Lewis hem ook in, in zijn The Screwtape Letters, en Goethe in zijn Faust -; de duivel blijft een instrument van God. Dat heeft iets geruststellends: het kwaad is niet ongebreideld. Het echte 'kwaad' weet niet dat het dat is. Ofwel het denkt dat het het 'goede' is, of het 'goede' is geheel afwezig.

maandag 24 juni 2013

Notitie #69

Dikwijls zou ik in een bewonderaar met geweld een vriend willen zien, alleen om mijn ijdelheid te bevredigen en mijn schrijverseer de vernedering der stupide adoratie te besparen; maar het gelukt mij steeds minder, omdat het genoegen van het acteren voor een publiek mij steeds meer gaat ontbreken. En daar ik niettemin het genoegen van het publiceren niet verloren heb, blijft mij geen andere conclusie over dan deze: ik publiceer voor vrienden, die argumenten en nuances delen, ik zoek mijn publiek overal en nergens… ik zoek misschien het zonderlingste publiek, dat denkbaar is, omdat ik mij de mogelijkheid van het vinden niet eens kan voorstellen. Want al zoekend verlies ik meer vrienden dan ik er vind; maar al verliezend geloof ik steeds overtuigder in de waarde der vriendschap en derhalve ook in die van haar noodzakelijk complement, de vijandschap.

- Menno ter Braak (1902-1940)
Uit: Politicus zonder partij (1933)

Verbazingwekkend hoe zwart-wit een lenig denker als Menno ter Braak af en toe kon formuleren. Bovenstaand fragment is, lijkt me, een kernfragment uit het werk van Ter Braak, zelfs van heel Forum. Daarom is het merkwaardig dat hij de ‘waarde der vriendschap’ niet verder toelicht. Het denken in vriend of vijand hoort bij Ter Braaks geloof in de polemiek; ik betoogde hier al dat hij daar aan het eind van zijn leven op terug is gekomen. Het is intens jammer dat hij die gedachtegang verder niet meer heeft uitgewerkt en uitgedragen.

Ik ben het in zoverre met Ter Braak eens, dat ook ik vind dat het contact tussen de schrijver en zijn lezer dikwijls een heel persoonlijk contact is. Dat vijandschap het noodzakelijk complement is van vriendschap klinkt in theorie aannemelijk. Maar hoe werkt dat in de praktijk? Het is hetzelfde als ‘het kwaad’ als het complement van ‘het goede’: het zijn allebei ficties.

Het gedachtegoed van Forum is in de decennia die erop volgden nogal karikaturaal, om niet te zeggen: geperverteerd in de praktijk gebracht. Een fragment als bovenstaand maakt duidelijk dat Ter Braak daar zelf ook aanleiding toe gaf - en daarmee is zijn invloed op de naoorlogse literatuur soms ook een beetje twijfelachtig te noemen.