zaterdag 15 december 2012

Notitie #39

Ik loop een beetje achter in de poëziekalender van Komrij. Deze week las ik het betoog dat achter een gedicht van Faverey staat, 19 oktober 2012. Hij keert zich erin tegen een manier van lezen waarin gedichten ‘spontaan [worden] begrepen als dingen om te bestuderen, om te ontleden en te analyseren. Poëzie als academische discipline.’  Op zichzelf een sympathiek pleidooi, waarin hij de ervaring van het gedicht boven de analyse ervan stelt. Maar poëzie blijft een kwestie van lezen, en nadenken over hetgeen er staat. Als je dat achterwege laat, kom je uit op loze kreten en armzalige oordelen, zoals ik laatst Bouke Vlierhuis die zag formuleren in zijn bespreking van de bundel van Andy Fierens: ‘Drank, testosteron, gebral. Heerlijk.’

J. wees me laatst op de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky en een artikel dat ze publiceerde: ‘Scientist or Mystic’. Haar betoog is vergelijkbaar met dat van Komrij, maar ze gaat een stap verder. Een wetenschapper houdt zich aan de regels [van de grammatica] en hoewel hij weet dat het interessanter is daarbuiten te opereren zal hij  in de praktijk binnen die regels blijven opereren. De mysticus voert die ‘onthechting‘ verder, stelt Lasky, het ‘ik’ van de dichter is alles wat de dichter niet is.

Komrij en Lasky betrekken allebei een stelling tegen de wetenschappelijke benadering van de poëzie, en vóór de ‘dichterlijke’. Hoewel zijn positie me sympathiek is, ben ik niet erg geneigd Komrij bij te vallen, misschien omdat ik zelf academicus ben en de waarde van het academisch lezen van poëzie aan den lijve heb ondervonden - en ook staat de negatief geladen, wat karikaturale weergave van de discussie me tegen. Aan het betoog van Lasky bevalt me met name het niet aangegeven verband tussen de zinnen. Ik merkte aan de moeite die ik had haar betoog samen te vatten dat ze in haar zinnen van steen naar steen springt, in plaats van ze op elkaar te stapelen. Dit onderstreept haar betoog en neemt me direct voor haar positie in.

donderdag 6 december 2012

Notitie #38

In haar ‘Kleine poëtica’ zegt Estelle Boelsma: “In mijn poëzie verken ik ruimte, concrete ruimte, restruimte, de ruimte tussen ik en de Ander, ruimte van afwezigheid en ruimte die verder gaat dan het aanwijsbare of het denkbare.” Deze opmerking blijft me fascineren. Ze zegt er volgens mij mee dat ze niet zozeer de ruimte verkent, maar de aan- en afwezigheden binnen die ruimte. Ze heeft het ook over ‘de ruimte tussen ik en de Ander’ en de ‘ruimte van afwezigheid’. Met andere woorden, het gaat haar om de afwezigheid die het aanwezige omvat, markeert, definieert. Wat is, wordt gedefinieerd door wat is en wat niet is.

De opmerking over de ruimte die verder gaat dan het aanwijsbare of het denkbare is een opmerking over de verbeelding. Deze ruimte zit in dezelfde opsomming als de andere soorten ruimte. Boelsma suggereert daarmee dat het een vergelijkbare ruimte is. De concrete ruimte is een verbeelde ruimte, en andersom.

dinsdag 20 november 2012

Notitie #37

Het tweede couplet van 'Strawberry Fields Forever'  van de Beatles luidde oorspronkelijk:
'There's no one on my wavelength / I mean, it's either too high or too low / That is you can't you know tune in but it's all right / I mean it's not too bad.' Zelf noemde Lennon de tekst een 'psycho-analyse op muziek gezet', het nummer gaat over de eenzaamheid als gevolg van zijn gekte/genialiteit.

Volgens de Engelstalige Wikipedia herschreef Lennon deze regels 'to make them more obscure'; het werd: 'No one I think is in my tree / I mean, it must be high or low / That is you can't you know tune in but it's allright / I mean I think it's not too bad'. Deze tekst is veel minder helder in wat Lennon wilde zeggen. Toch is de nieuwe tekst duidelijk beter geslaagd. Ik denk omdat het droomachtiger is, omdat het (daardoor?) veel méér zegt dan de oorspronkelijke tekst.

vrijdag 9 november 2012

Notitie #36

Hoe kan het dat dichters als Maria van Daalen en Willem Jan Otten, dichters die zich intensief bezighouden met het hogere, het transcendente, het goddelijke, hoe kan het dat ze zich veel minder bedienen van de taal van het gebed dan je zou verwachten? Het meditatieve, het bezwerende, het magische - het zit wel in hun poëzie, maar - bij alle waardering voor hun gedichten - ik heb sterk de indruk dat ze daar niet erg ver in gaan. Is de taal van het gebed ze te heilig?

Misschien heeft het er in het geval van Otten ook mee te maken dat hij zijn poëzie toch vooral gebruikt om na te denken over God: terwijl hij zich (in zijn Gerichte gedichten) tot God richt, definieert hij God. In het geval van Van Daalen lijkt me iets anders aan de hand, zij heeft misschien ondervonden waar ik nu tegenaan loop. Het bezwerende, biddende taalgebruik wordt snel gekunsteld, het wordt het nadoen van een gebed - en daarmee vestigt de taal juist de aandacht op de eigen kunstmatigheid. Op haar eigen vergeefsheid.

Maar er is geen weg terug.

woensdag 24 oktober 2012

Notitie #35

In de uitzending van het Woordenrijk op Den Haag FM ontstond tijdens het gesprek over het recenseren van poëzie een korte discussie met presentator Harry Zevenbergen. Hij vond dat je eigenlijk ook voordrachten zou moeten recenseren en vergeleek het recenseren van bundels met het recenseren van ‘muzieknoten’. Zijn stelling is dus volgens mij dat een gedicht iets is wat eigenlijk moet klinken, dat dus het echte gedicht ontstaat tijdens de voordracht.

De klank van het gedicht is inderdaad een essentieel bestanddeel ervan. Een dichter als Rozalie Hirs heeft ook gedichten nadrukkelijk als partituur geschreven. En J. wees me er later op dat je een gedicht kunt zien als ‘partituur van de ziel’, zoals een gebed dat ook is.

Ik heb het doorgaans niet zo op ‘voordrachtspoëzie’. Dat heeft misschien meer te maken met de kwaliteit van de meeste voordrachtspoëzie die ik te horen krijg dan met het gegeven dat het wordt voorgedragen. Het schrijven [van een gedicht] lijkt me toch vooral een vorm van nadenken waarbij het niet zo erg belangrijk is of de gedachte wel of niet hardop wordt uitgesproken. En een gedicht is, behalve geluid, ook beeld – sterker: een werkelijkheid op zichzelf. De vergelijking die Zevenbergen trok klopt wel, maar gaat m.i. teveel voorbij aan al het andere dat poëzie óók is.

zondag 14 oktober 2012

Notitie #34

Als ik van de aangesprokene in mijn gedichten een godheid maak, zoals ik eigenlijk al sinds mijn debuut doe, ben ik eigenlijk bezig een eigen religie te ontwerpen - zoals wel meer schrijvers en dichters doen en hebben gedaan (denk bijv. aan Gerard Reve). Ik denk zelfs dat iedere gelovige een persoonlijke religie ontwerpt; een manier zoekt waarop hij/zij zich het best thuis kan voelen in die religie.

Aleister Crowley ging wel heel wat verder. Hij beweerde dat zijn Book of the Law, de centrale tekst van de nieuwe religie Thelema, aan hem gedicteerd werd door de God Aiwass. Uit het biografische werkje over Crowley dat ik vandaag las, krijg ik de indruk dat veel intellectuelen aan het begin van de twintigste eeuw in een veelheid aan sektes en religieuze of magische groeperingen actief waren. Dat waren lang niet allemaal fanatici. Het waren mensen die hun koers door hun verbeelding lieten bepalen. Crowleys teksten lijken me in de eerste plaats literair, zoals de Bijbel literair is.

Afgelopen vrijdag zag ik Maria van Daalen spreken over voodoo-rituelen, een bijzonder ervaring. Het was opvallend hoe verwant die rituelen zijn aan die van het katholicisme, waar ik mee ben opgegroeid.

Als ik het goed begrijp, gaat Thelema uit van meerdere godheden, gemodelleerd naar de oude Egyptische goden. Crowley zag zichzelf als de profeet van deze religie, je zou ook kunnen stellen dat hij er de ontwerper van was. Aiwass, bijvoorbeeld, is alleen in zijn geschriften een godheid en Crowley was zelf degene die voorschreef welke rituelen uitgeoefend dienden te worden en hoe. Aiwass, schreef hij later, is de goddelijke afsplitsing van hemzelf. Hij was dus zowel (deels) godheid, evangelist, profeet en volgeling in zijn eigen religie.

Dat klinkt bizar, maar feitelijk doe ik in mijn gedichten (voorlopig op zeer, zeer kleine schaal) hetzelfde.

dinsdag 2 oktober 2012

Citaat 2 oktober 2012

a) Let him (The Adept) learn to write backwards, with either hand.
b) Let him learn to walk backwards.
c) Let him constantly watch, if convenient, cinematograph films, and listen to phonograph records, reversed, and let him so accustom him self to these that they appear natural and appreciable as whole.
d) Let him practice speaking backwards: thus for "I am He" let him say, "Eh ma I."
e) Let him learn to read backwards. In this it is difficult to avoid cheating one's self, as an expert reader sees a sentence at a glance. Let his disciple read aloud to him backwards, slowly at first, then more quickly.
f) Of his own ingenium, let him devise other methods.

- Aleister Crowley (1875-1947)
Uit: Magick, Liber ABA, Book 4 (1913)