dinsdag 12 januari 2021

Notitie #408-409

408) Het gevoel (maatschappelijk en persoonlijk) op een grensgebied te staan. Het gevoel dat ik alles wat ik nog wil (af)maken, gemaakt moet zijn vóór die grens wordt overschreden. Daarna kan het niet meer, althans niet op de manier die me nu voor ogen staat. Alles wat ik schrijf, is al tijdens het schrijven achterhaald.
 

409) B. wees me op de dit fragment uit 1979, waarin interviewer Dick Cavett zich op zijn minst onhandig uitdrukt. In het tenenkrommende begin heeft hij het over Sophia Lorens 'gunstige' kant en vestigt hij de aandacht op de implicatie daarvan (dat ze ook een ongunstige kant heeft) door te ontkennen dat hij dat wilde impliceren. 

Daarna wil hij iets zeggen over de magie van Lorens verschijning op het scherm, maar daarbij maakt hij twee vergissingen: 1) hij doet dat door zich negatief uit te laten over Lorens 'off-screen' verschijning en 2) hij seksualiseert die magie. De magie van Loren, die hij wil duiden, omvat namelijk veel méér dan het gegeven dat hij benadrukt (dat ze een mooie vrouw is). Bevindt de magie, hetgeen niet is te bevatten, zich neurologisch in hetzelfde gebied als de erotiek? Of, waarschijnlijker, reageerde hij gewoonweg te masculien, omdat de magie in dit geval teweeg wordt gebracht door een mooie vrouw?

dinsdag 22 december 2020

Notitie #407

 

Verfrissend hoe de makers van Rudy's Grote Kerstshow spelen met cliché's. De kinderserie is goed gemaakt (sterk verhaal, goed acteerwerk, mooi gefilmd) en die kwaliteit wordt samengebald in de muziek. Enerzijds spreekt er uit de liedjes, die intelligente imitaties van dertien-in-een dozijn-hitjes zijn (inclusief de wereld aan gebaren en dansjes die daar bij hoort), veel humor en plezier. Anderzijds zijn ze heel direct, omdat ze de indruk moeten wekken dat ze door kinderen zijn geschreven. Daardoor is het 'geoorloofd' om platgetreden cliché's te gebruiken en zie je ineens dat die, als ze oprecht worden ingezet (bij 'Sara's Liedje'), of met een niet-ironische knipoog (bij o.a. 'Ik Voel Dingen' en 'Kerst is Olé'), enorm effectief zijn.

zondag 13 december 2020

Notities #404-406

 404) Schrijven is in de eerste plaats vertrouwen op (de validiteit van) het eigen perspectief, en de (vanzelfsprekend eigen) manier om die te verwoorden.

405) Vorm volgt inhoud.

406) De gesprekstof van A. verschilt misschien niet veel van andere vierjarigen, maar fascineert me eindeloos veel meer, omdat ik alles wat daarachter groeit, broeit en zich ontwikkelt voel, ervaar en wil kennen. Haar eigenheid is, door haar nabijheid, lastig te onderscheiden van mijn projecties.

maandag 30 november 2020

Notities #402-403

 402) Al in 1941 signaleerde George Orwell het einde van de autonome individu ('or perhaps one ought to say, in which the individual is ceasing to have the illusion of being autonomous'). In de recent uitgegeven bloemlezing Fascism and Democracy is hij allesbehalve optimistisch over de ontwikkeling van de mensheid (zie ook natuurlijk zijn 1984).

De analyse is des te wonderlijker, omdat hij hem noteerde in een periode waarvan tegenwoordig juist vrij algemeen wordt gesteld dat die het failliet van de ideologieën betekende: het individualisme ontwikkelde zich pas echt na de Tweede Wereldoorlog. Lang is gedacht dat hij (met 1984) ongelijk heeft gekregen, maar het is onthutsend om te zien hoe we ons nu op precies hetzelfde punt lijken te bevinden als waar we volgens Orwell in 1941 al waren aanbeland, en te bedenken dat hij destijds buiten de social media rekende (waar het individualisme het individualisme opheft).

403) Iconen, zegt Merleau-Ponty met Descartes in Oog en geest, zijn enkel het 'beeld' van hetgeen ze weergeven, 'op voorwaarde dat ze 'er niet op lijk[en]'' (p. 39). Hij vergelijkt ze met de verhouding van taal en tekens, die eveneens op 'geen enkele wijze lijken op de dingen die ze betekenen'. Hij beschrijft het zien als een 'denken dat strikt de in het lichaam gegeven tekens ontcijfert' (p. 40). Het mentale beeld, dus: het zien dat voor ons aanwezig maakt wat afwezig is, is volgens Descartes net zo goed een denken dat steunt op lichamelijke aanwijzingen.

dinsdag 24 november 2020

Notities #399-401

 399) Is het mannelijke, erotische verlangen niet in essentie vrouwenhaat? Hoe minder de mannelijke geilheid (door beschaving) wordt gefilterd, hoe gewelddadiger en destructiever die is.

 400) Er valt me aan de vrouwen in mijn omgeving die recent moeder zijn geworden een soort droefheid op, een melancholie. In een gesprek hierover wees B. op de oerervaring van het moederschap. Die brengt een verheviging teweeg van de meer 'gebruikelijke' melancholie: zodra het kind geboren is, zegt ze, begint het met sterven. Ik denk dat daar in ieder geval een kern van waarheid in zit: het is de melancholie van het geluk. Het is het tederste soort verdriet dat ik ken.

401) A. gaat nu al een paar weken naar school en ik heb er nog steeds moeite mee haar 's ochtends op het schoolplein achter te laten. Het gevoel haar opvoeding uit te besteden aan de maatschappij. Ik heb grote problemen met de moderne maatschappij, dus het is niet gek dat ik er ook moeite mee heb om degene die me het meest dierbaar is eraan over te leveren - hoe leuk de school ook is en hoe lief de docenten ook zijn. 

Het cliché dat het een oefening in loslaten is, klopt natuurlijk. A. observeert scherp, denkt helder na over wat ze waarneemt en is ook open in haar vragen. Dat geeft me hoop, ook met het oog op de enorme vraagstukken waar ze in haar leven mee te maken gaat krijgen.

vrijdag 13 november 2020

Notities #397-398

 397) In zijn essay over de waarneming in de kunst, Oog en geest, noemt Merleau-Ponty het zien 'een hebben op afstand': een 'bizar' bezit dat door de schilderkunst wordt uitgebreid naar alle aspecten van het Zijn. Het zien, van de werkelijkheid, maar ook van de kunst, is méér dan alleen lichamelijk. Merleau-Ponty stelt dat een schilderij alleen volgens het lichaam analoog is, het zien 'bekleedt' de 'imaginaire textuur van het werkelijke' van 'binnenuit'. Hij komt dan ook tot de conclusie dat er een blik van binnen is: een 'derde' oog, dat mentale beelden ziet.

398) Nog vóór Joe Biden tot winnaar van de verkiezingen in de VS was uitgeroepen, noemde David Pakman (hier) het 'mythische' en 'magische' denken van de aanhangers van Donald Trump een van de belangrijkste problemen waar het land mee te kampen heeft. Hij bedoelt daarmee het denken dat hecht aan 'conspiracies' en hij plaatst dat denken tegenover het 'empirische' denken, een denken dat hecht aan feiten. 

Zijn analyse is volgens mij juist, dat is precies het ongemakkelijke eraan: ik heb me in mijn denken juist altijd sterk gemaakt voor het 'magische' denken, de verbeelding, het (zo je wilt) 'religieuze' denken, en ik heb me juist steeds verzet tegen de tijdsgeest, die precies dit denken afwijst en enkel waarde hecht aan meetbare eenheden (het liefst uit te drukken in geld). Ik voel me bij dit soort betogen door de tijdsgeest ingehaald.

Pakmans onderscheid is dan ook te grof. Het 'mythische' denken vind je volgens mij vooral bij religieuze mensen, en het probleem is in dit opzicht het fundamentalisme. Pakman maakt dat onderscheid niet en dat is heel begrijpelijk, omdat hij het niet meer heeft over een cultus, maar een stroming: hij heeft het over meer dan 70 miljoen kiezers, die vanuit dat 'magische' denken op Trump hebben gestemd. Zijn dat allemaal religieuze fundamentalisten? Vast niet, maar er is in dat geval ook iets anders mis, en het is er erg aan verwant.

De domheid regeert, letterlijk. Maar als Pakman stelt dat deze mensen 'in oorlog' zijn, dan heeft hij het volgens mij niet eens zozeer over een oorlog tegen de rede, maar over een oorlog tegen de werkelijkheid. Het is verleidelijk om dat gegeven te psychologiseren, maar ik denk dat de Trump-stemmer de afgelopen vier jaar al meer dan genoeg psychlogisch is geduid, zonder dat dit iets heeft opgeleverd. De denkrichting lijkt me meer dat het Trumpisme een consequentie is van het gegeven dat religie in de maatschappij op een gegeven moment is vervangen door het kapitalisme en dat het kapitalisme failliet is.

donderdag 5 november 2020

Notitie #396

Hoe leuk de clip ook is, het (bij de eerste luisterbeurt vooral grappige) liedje is zonder beelden eigenlijk beter. Er is erg veel te zeggen over de (nogal geniale) tekst en (geweldige) uitvoering van dit liedje, maar het refrein vat het misschien allemaal mooi samen. 

Het draait, in wat het refrein van een drinkliedje lijkt, om drie ongerelateerde zinnen: het feestelijke 'pass the wine', het activistische 'fuck the government' en het lieve 'I love you'. Doordat de vertellers niet weten welke zin door de ander wordt uitgesproken, nemen ze het zekere voor het onzekere en reageren ze bevestigend op alledrie de opmerkingen. Het effect daarvan is, vind ik, bijzonder ontroerend. 

Het illustreert bijvoorbeeld erg mooi de onhandige onzekerheid bij een beginnende verliefdheid. De herhaling van de drie opmerkingen aan het slot van het refrein is bovendien komisch vanwege de voorspelbaarheid: je voelt de conclusie ('I love you too') al van mijlenver aankomen en precies daarom is het grappig en ontroerend als die laatste zin uiteindelijk wordt uitgesproken. Maar belangrijker nog is dat de drie opmerkingen door deze techniek op elkaar inwerken. Ze werken samen en worden daarmee een (feestelijk, activistisch en lief) geheel. Deze curieuze mix maakt er een soort viering van (van het leven en de liefde, zou ik zeggen): het maakt de op zichzelf nietszeggende zinnetjes veelzeggend en universeel- en verleent ze bovendien een levenslust die deze dagen broodnodig is.